In de houdgreep van de investeringsverdragen

Nederland is berucht vanwege haar reputatie als belastingparadijs voor multinationals. Minder bekend is ons dubieuze trackrecord op het gebied van IBO’s ofwel investeringbeschermingsovereenkomsten. Roeline Knottnerus van SOMO en Pietje Vervest van Transnational Institute maken ons in de recent uitgekomen Vice Versa wegwijs en roepen op tot actie.

In 2010 daagde sigarettenfabrikant Philip Morris de Uruguyaanse staat voor een internationaal arbitragetribunaal, nadat in Uruguay nieuw anti-rookbeleid was ingevoerd. Grote gezondheidswaarschuwingen op sigarettenpakjes moesten het roken terugdringen. Philip Morris meende dat zij hierdoor haar merknaam niet goed kon voeren waardoor haar recht als investeerder werd beschadigd. Het bedrijf zag de toekomstige winst dalen en legde een claim van 2 miljard neer bij het arbitragetribunaal ICSID (International Center for the Settlement of Investment Disputes). Het Amerikaanse bedrijf kan dit doen door gebruik te maken van een clausule in een bilaterale investeringsovereenkomst tussen Zwitserland en Uruguay. Waar of niet waar? Waar!

In 2015 legt Chevron een claim van 3 miljard neer bij de Nederlandse staat nadat het Nederlandse parlement bij meerderheid heeft besloten geen winning van schaliegas toe te staan. Chevron doet dit op basis van het investeringsverdrag van de Europese Unie met de VS. Nederland gaat gedwongen een nieuwe bezuinigingsronde in. Waar of niet waar?Zeer wel mogelijk. Het overkwam de Canadese staat nadat het een moratorium op schaliegaswinning had afgekondigd.

Achter gesloten deuren

Het klinkt misschien verbazingwekkend, maar dergelijke zaken zijn geen uitzondering. Bedrijven bedienen zich bij dit soort zaken van investeringsverdragen, oorspronkelijk bedoeld om investeerders internationale rechtsbescherming te bieden tegen willekeurig optreden door nationale overheden. Wereldwijd zijn er meer dan 3000 investeringsverdragen. De meerderheid is bilateraal: een overeenkomst tussen twee landen. Daarnaast zijn er ook investeringsovereenkomsten die onderdeel vormen van vrijhandelsakkoorden of binnen multilaterale akkoorden vallen.

Het geschillenbeslechtingsmechanisme, een investor-state dispute settlement ofwel ISDS maakt het voor investeerders mogelijk om staten voor een internationaal tribunaal te dagen. Een tribunaal bestaat uit drie handelsjuristen (arbiters) die ad hoc worden aangewezen en per zaak worden betaald. Er is geen wederkerigheid in het systeem: overheden en burgers kunnen geen investeerders dagen voor deze zelfde tribunalen. Ook kunnen staten niet in beroep gaan tegen de uitspraak. De zaken vinden plaats achter gesloten deuren. Het verdragsrecht staat bovendien boven het nationale recht. Nationale rechtbanken hebben niets te zeggen over beslissingen van het arbitragetribunaal.

Sinds eind jaren 90 hebben deze verdragen een golf aan claims van bedrijven tegen staten voortgebracht. In 1996 werden bij ICSID, het belangrijkste tribunaal, nog maar 38 zaken van investeerders tegen staten geregistreerd; in 2012 waren dat er meer dan 500. Het merendeel werd aangespannen door bedrijven uit kapitaalrijke landen tegen ontwikkelingslanden. Waarschijnlijk liggen deze aantallen veel hoger, daar de meeste arbitragetribunalen geen openheid van zaken hoeven te geven. De bedragen die met deze zaken gemoeid zijn, worden ook steeds hoger. Het tijdschrift The American Lawyer schreef in 2011 dat in 151 gevallen meer dan 100 miljoen dollar werd geclaimd.

Van oorsprong was investeringsarbitrage bedoeld voor situaties waarin investeerders bot onteigend werden, bijvoorbeeld wanneer een overheid zich een fabriek toeëigende of een mijn nationaliseerde. De laatste tijd gebruiken investeerders het systeem steeds meer om overheidsbeleid dat hen niet aanstaat ter discussie te stellen. Van milieuregels en arbeidswetgeving tot de introductie van nieuwe belastingmaatregelen. Dit komt neer op ‘indirecte onteigening’, zeggen de bedrijven, vanwege een te verwachten negatief effect op hun toekomstige winsten. Ook voeren ze aan dat veranderingen in regelgeving in strijd zijn met hun recht op ‘eerlijke en billijke behandeling’. Wat daar in juridische zin precies onder moet worden verstaan, is onduidelijk.

Daar komt bij dat de betreffende tribunalen alleen oordelen of de door verdragen geboden investeringsbescherming wordt geschonden, maar ze kijken niet naar het publieke belang of naar een breder mensenrechtenkader. Daarmee hebben IBO’s een enorme negatieve impact op het vermogen van overheden om wetgeving door te voeren op het gebied van bijvoorbeeld volksgezondheid, milieubescherming en mensenrechten.

Onderstaand een greep uit de vele zaken waarin bedrijven zich gerechtigd voelden ‘compensatie’ te eisen voor beleidsmaatregelen die genomen waren in het algemeen belang.

Watermultinational Bechtel tegen Bolivia

Bechtel verhoogde in 2000 eenzijdig de watertarieven in de Boliviaanse stad Cochabamba met 50 %. Tienduizenden inwoners gingen uit protest tegen de privatisering van water de straat op. Toen de overheid onder deze druk besloot de privatisering terug te draaien, spanden de private waterbedrijven onder aanvoering van Bechtel bij het ICSID, het investeringstribunaal van de Wereldbank, een zaak aan tegen de Boliviaanse staat. Ze eisten 50 miljoen dollar ‘schadevergoeding’, terwijl ze slechts 1 miljoen geïnvesteerd hadden. Bechtel c.s. besloten in 2006 onder grote (inter)nationale publieke druk hun zaak in te trekken.

Cargill tegen Mexico

Toen de Mexicaanse overheid besloot lokale suikerproducenten te beschermen door extra belastingen te heffen op de invoer van maissiroop met een hoog fructosegehalte, legde het Amerikaanse bedrijf Cargill onmiddellijk een investeringsclaim neer. ICSID kende de claim toe en Mexico moest 77 miljoen dollar ophoesten, plus alle kosten voor juridische bijstand.

Verder lezen en meer weten over de specifieke rol van Nederland? Mail naar redactie[a]viceversaonline.nl.