Vervolg aardappeldispuut: ‘Ruben mist de kern’

Afgelopen week mengde ook IOB-directeur Ruerd Ruben zich in het aardappeldispuut tussen zijn wetenschappelijke collega’s Paul Hoebink (CIDIN) en Ton Dietz (Afrika Studiecentrum). Hij vond dat beide heren hun argumenten meer op onderzoeksresultaten moesten baseren. Vandaag de repliek van Paul Hoebink.

Mijn goede collega Ruerd Ruben mist toch de kern van het debat tussen collega Dietz en ondergetekende. Die kern is: Stel dat de aardappel een landbouwproduct is, waarvan de voedingswaarde gering is, zeker ten opzichte van andere producten (zoals granen en de zoete aardappel), moet de Nederlandse regering dan in het kader van voedselzekerheidsprogramma’s juist de promotie van dit product financieren? Bijkomende zaken zijn dan dat de aardappel een product is dat gemakkelijk en snel bederft (er dus veel verloren gaat niet, alleen na de oogst maar ook bij de gebruikers; hoeveel aardappelen gooien wij Nederlanders weg per jaar?) en dat het een product is dat veel investeringen vergt met bijbehorende risico’s voor boeren.

Indien de Nederlandse regering ten behoeve van de voedselzekerheid in land X, Y of Z een product promoot dat gezien zijn geringe voedingswaarde – en zeker die voedingswaarde afgezet tegen het gewicht – niet gepromoot wordt door gezondheidsautoriteiten, dan laadt de Nederlandse regering inderdaad de verdenking op zich dat zij het tot stand brengen van publiek-private partnerschappen, in dit geval met de Nederlandse pootaardappeltelers, van groter betekenis acht dan het uiteindelijke doel van het vergroten van de voedselzekerheid.

Klein stukje van de puzzel

Ik ben dus zeker tevreden met het feit dat op het laatste punt de Ethiopische promovendus Abebe ons een eerste inkijkje heeft gegeven in hoe de ‘value chains’ in zijn land in elkaar zitten en hoe zij bij een bepaalde kwaliteit en met bepaalde contracten er een goed inkomen uit kunnen halen, maar dat is maar een klein stukje van de puzzel, want ook moet blijken of dat in andere markten eveneens het geval is en hoe risico’s worden gedeeld. Overigens, verse verwerking is toch als er in de keuken frietjes van worden gemaakt?

Een ander stukje van die puzzel zijn de kosten van die pootaardappel onder gebonden hulp. Ook hier een ‘overigens’: Bhagwait stelde al in de jaren zestig vast dat gebonden hulp de prijs met 30% opdreef. Collega Jepma deed dat later in een OESO publicatie en ik rekende – ook al weer een kwart eeuw geleden – het in mijn dissertatie o.a. uit voor Philips producten, Nederlandse vaarzen en pootaardappelen.

En tenslotte: ik ben al heel lange tijd een voorstander van robuuste impact meting via (base-line) surveys, controle-groepen e.d., als daarvoor de middelen aanwezig zijn (het is tenslotte duur) maar het ook zinnig is. Ik kan me bijvoorbeeld heel goed voorstellen dat bij de evaluatie van bepaalde programma’s, bijvoorbeeld good governance projecten, een dergelijke impactmeting volstrekt onzinnig is.

 

 

Auteur
Paul Hoebink

Datum:
05 maart 2014
Categorieën: