‘En zo moet het dus niet’

Manon Stravens heeft De Benedenrivier van Paul Theroux gelezen. Volgens Stravens ‘hangt het verhaal met Telegraaf-clichés aan elkaar’. Op het einde van haar recensie concludeert ze over Theroux na het lezen van haar boek: ‘Die man moet voorgoed van Afrika genezen zijn en misschien is dat maar goed ook.’

Met een ietwat zwartgallig gevoel sla ik het boek De Benedenrivier van Paul Theroux (juli 2012) dicht. Het is een prachtig geschreven, maar diep triest verhaal over een blanke man vast in (en aan) donker Afrika. Zo spannend dat je het in één klap uitleest, maar te treurig om er echt van te genieten. Ook ben ik teleurgesteld. Ik had van ‘één van ‘s werelds meest gelezen reisschrijvers’ een wat geraffineerder inzicht en perspectief op ‘Afrika’ verwacht. En, met een knipoog, van één van ’s Hollands meest gelezen OS-journalisten wellicht ook een positief-kritischer verjaardagscadeau.

De hoofdpersoon Ellis Hock is een 62-jarige man die zijn gortdroge leven leeft in zijn herenmodezaak, met zijn vrouw en een ondankbare dochter. Hij geeft dat leven enige kleur middels een intieme correspondentie met voorbijgaande vrouwen. Maar vooral de droom ooit terug te gaan naar het dorpje Malabo in Malawi waar hij als twintigjarige enkele jaren woonde en werkte. Als zijn vrouw van hem scheidt, maakt Hock zijn grote droom waar. Helaas draait het uit op een ware hel: uitzichtloos tot aan de laatste zin. Hock gaat van geestelijke naar fysieke gevangenschap in een godverlaten uithoek van ‘het verloren continent’. Want dat is het decor: de lezer krijgt 381 bladzijden duister Afrika over zich uitgestort.

Glitterblanken

Te midden van de prachtige beschrijvingen, hangt het verhaal met Telegraaf-clichés aan elkaar. Het inhalige en van jargon vervuld dorpshoofd door wie Hock zich laat leegplukken, de op eigenbelang gestoelde gastvrijheid, het geld en de spullen die uit zijn hut verdwijnen, aids, honger, de verloederde leegstaande school waar hij als twintiger met hart en ziel aan had gewerkt. En tot overmaat van ramp is er ook nog die anonieme hulpclub van twee glitterblanken die voedselpakketten uit een helikopter gooien. Het lijkt een sneer naar Madonna of Jolie. De nachtelijke maskerdansen, het verloederde kinderdorp en Hocks mislukte ontsnappingspogingen, geven het verhaal bijna iets macabers. De enige lichtpuntjes zijn de nachtelijke sterrenhemels, de serene tiener Zizi en zijn vroegere geliefde Gala. Het verhaal speelt zich af bij het Sena volk in Malawi, maar daar is dan ook alles mee gezegd. De lezer is geen noemenswaardige kennis of inzichten over het land gegund.

De man, Hock, roept allerlei reacties bij me op. Vond ik hem de eerste bladzijden nog wat sneuïg, daarna gewoon heel stom. Hock is namelijk het toppunt van de naïeve Westerling die zijn eigen droom – lees: zijn zelf gecreëerde illusies over Afrika als arm doch paradijselijk – met zijn ongevraagde goedbedoeldheid vergalt. Te beginnen met zijn vlucht en het idee dat Afrika de psychologische zalving is voor zijn westerse leegheid en ellende. Het geld dat hij er uitdeelt, is een rode prikkeldraad in het verhaal. In plaats van relaties op te bouwen, begint Hock de school op te knappen. Hij realiseert zich dat hij het vertrouwen van de dorpelingen ontbeert, maar schuift de schuld af op ‘veertig jaar ontwikkelingshulp en hulporganisaties en ngo’s’. Hij heeft er twee jaar gewoond, gewerkt en spreekt de taal, maar heeft mijns inziens van ‘Afrika’ geen snars begrepen.

Werkelijke ervaring

Ik verbaas me erover dat recensies van De Benedenrivier de meedogenloosheid van ‘Afrika’ benadrukken, maar het denken en handelen van Hock volledig buiten beschouwing laten. Je eigen rol bepaalt ten slotte voor een heel groot deel de ervaringen en belevingen van zo’n verblijf overzee. Met, noem er eens wat, Prins Claus of Renske de Greef in de hoofdrol, twee positief kritische Afrikagangers met een stevig staaltje zelfspot, was er ongetwijfeld een heel ander verhaal opgetekend. Ik was nog onaangenamer verrast door het feit dat het boek is gebaseerd is op een werkelijke ervaring van de auteur zelf. Kennelijk heeft Theroux tussen 1963 en 1965 als vrijwilliger voor het Peace Corps in Malawi gewerkt en was na jaren terugkomst (2001) teleurgesteld in wat er over was van zijn werk. Dit is zijn tweede boek dat die frustratie verwoordt. Die man moet voorgoed van Afrika genezen zijn en misschien is dat maar goed ook. Niets mis met het Peace Corps, maar wel die met individuen vol goede bedoelingen en zonder kritisch zelfinzicht.

Ik vraag me af, voor wie dit boek nou eens heel geschikt kan zijn. In ieder geval niet voor het politieke debat. De karikatuur van de ontwikkelingshulp is koren op de molen voor de anti’s. Misschien beter voor de doorgewinterde Afrikagangers onder ons, ten behoeve van het goede gevoel ‘dat het bij mij gelukkig heel anders gaat’. Maar wellicht nog het meest geschikt voor die gelukszoekende weldoeners, die je het liefst ver buiten het continent wilt houden. Dan zou ik voorin krabbelen: ‘En zo moet het dus niet.’

Auteur
Jeroen Aerts

Datum:
08 januari 2013
Categorieën: