Calimero

Een uitspraak van René Grotenhuis tijdens het Smart Aid-debat dat ‘ontwikkeling niet bestaat’ inspireerde Lieke Ruijmschoot. In het verlengde daarvan neemt ze het regeerakkoord van kabinet Rutte-II onder de loep in haar eerste column voor Vice Versa. Wat is de visie van het akkoord op ontwikkeling?

De uitspraak die mij nog het meest aansprak tijdens het Smart Aid-debat, was die van René Grotenhuis, toen hij opriep tot de ‘deconstructie van ontwikkelingssamenwerking’. ‘Ontwikkeling bestaat niet’, zei hij, ‘het is geen ding, je kunt het niet vastpakken, je kunt er geen strik omheen doen. De armoede in India, Chad, Honduras: het is overal anders, en zo is ook ontwikkeling overal anders. Goede gezondheidszorg bestaat, effectief onderwijs bestaat, en schoon water uit de kraan bestaat, maar ontwikkeling bestaat niet.’ Hij sloeg daarmee wat mij betreft de spijker op zijn kop.

Want je merkt overal, is dat mensen doen alsof dé ontwikkeling wel bestaat, iets is waar we allemaal hetzelfde beeld bij hebben en waarvoor we allemaal elke dag met goede moed opstaan om weer eens met beide handen aan te pakken. Of moet ik zeggen, datgene waarvoor we ons met moeite nog uit ons bed slepen ’s ochtends, omdat we overal toch horen dat het allemaal tot niks geleid heeft, die ontwikkelingssamenwerking. Ik erger me eraan dat zelfs ontwikkelingsorganisaties dit uit volle borst verkondigen.

Grote falen

Want wat heeft er dan zo verschrikkelijk gefaald? Die gezondheidszorg in India, of het onderwijs in Chad, of toch het schone water in Honduras? En staan de Nederlandse organisaties collectief aan de basis van dit grote falen? Als wij niet duidelijk zijn over welke ontwikkeling we het hebben, zullen we ook nooit een heldere visie op armoedebestrijding kunnen ontwikkelen. Aan zo’n visie is enorme behoefte, liefst één met minder pretentie en meer ambitie.

Ik probeer het, op feesten en partijen, altijd op Nederland zelf te betrekken. Wij hebben tegenwoordig elf ministeries. Slechts één daarvan is continu bezig met het verbeteren van de kwaliteit van de zorg, en had hiervoor in 2011 74,5 miljard euro te besteden. Een ander ministerie houdt zich bezig met de hervorming, vernieuwing en nog een keer hervorming (je zou kunnen zeggen, ontwikkeling) van het onderwijs. Hoger, lager, basis, speciaal en wetenschappelijk onderwijs wel te verstaan, en dan ook nog cultuur en wetenschap. Dit ministerie gaf in 2011 31 miljard euro uit.

En voor schoon water kunnen we vertrouwen op waterschappen en drinkwaterbedrijven, die respectievelijk aparte belastingen en gebruikerskosten gebruiken om hun diensten te leveren. Al deze ministeries, met allerlei publieke en semi-publieke instanties, zorgen voor de ontwikkeling van Nederland. En die is nog lang niet af, die is nooit af. Er is zelfs eeuwige onenigheid over hoe die ontwikkeling er precies uit zou moeten zien.

Nog steeds armoede

Toch is daar dan nog de ontwikkelingssamenwerking, de Calimero onder de budgetposten van onze Nederlandse staat. Met slechts 0,7 procent, in 2011 4,3 miljard euro, zal zij zorgen voor dé ontwikkeling van de rest van de wereld. Of op zijn minst zal zij ervoor zorgen dat de allerarmsten in de armste landen, uit hun erbarmelijke omstandigheden ontsnappen, als we ‘ontwikkeling’ voor het gemak even tot armoedebestrijding reduceren. Maar wat schetst onze verbazing? Al 60 jaar ‘pompen’ we ‘bakken met geld’ in die ‘hulpindustrie’, en er is nog steeds armoede! De wereld is er niks mee opgeschoten, met onze 0,7 procent!

Wat is de visie van het huidige kabinet op ontwikkeling? In het regeerakkoord staan hierover geen heel concrete uitspraken. Het meest concrete dat ik vond, was: ‘Nederlanders en Nederlandse bedrijven hebben grote belangen in het buitenland. Het buitenlands beleid is gericht op het behartigen en beschermen daarvan en bevordert de internationale rechtsorde en de mensenrechten. De allerarmsten staan centraal bij ontwikkelingssamenwerking.’

Internationale samenwerking gaat de komende vier jaar dus in de eerste plaats om de belangen van ons (bedrijfsleven), in de tweede plaats om mensenrechten en tot slot om armoedebestrijding, waarbij dat laatste niet nader is gespecificeerd. Als wij terug zouden kijken op zestig jaar ontwikkelingssamenwerking met in het achterhoofd als hoofddoel ons eigenbelang, zouden wij het dan niet heel anders evalueren?

Waar het regeerakkoord vervolgens een stuk helderder over is, is de manier waarop we deze vooralsnog vage doelstellingen moeten bereiken, de vorm dus. Er staat: ‘De versterkte samenhang tussen buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking krijgt onder meer vorm door het in samenwerking met het bedrijfsleven ontwikkelen van een revolverend fonds van 750 miljoen dat in de jaren 2014-2016 vanuit de begroting van Ontwikkelingssamenwerking wordt gevoed. Hieruit kunnen investeringen in ontwikkelingslanden worden ondersteund, in het bijzonder die van het midden- en kleinbedrijf.’

Niet klakkeloos

Het bepalen van de vorm heeft blijkbaar voorrang gekregen boven de inhoud van het beleid. Een geval van het paard achter de wagen spannen, lijkt me. Het feit dat de partij waarmee het fonds verder uitgewerkt gaat worden, het bedrijfsleven, ook al is aangekondigd, bevestigt dit. Het bedrijfsleven zal alles waarin de maatschappelijke organisaties zestig jaar hebben gefaald vast in één keer goed doen. De praktijk leert dat we hier niet klakkeloos vanuit moeten gaan. De overheid mag wel iets meer sturing geven.

Vandaag vindt het Wetgevingsoverleg van het deel Ontwikkelingssamenwerking van de begroting Buitenlandse Zaken 2013 plaats. Ik hoop dat de sprekers hier een heldere visie zullen neerzetten over de inhoud van de ontwikkeling die hen voorstaat. En dat zij pas daarna overgaan tot het bepalen van de vorm.

Auteur
@digilieke

Datum:
17 december 2012
Categorieën: