Vice Versa #5: De ODA voorbij

De afspraak om alleen bepaalde vormen van hulp aan ontwikkelingslanden te rekenen als official development assistance (ODA) werd ruim een halve eeuw geleden gemaakt en had tweeërlei oogmerk: een statistische en een politieke. Men wilde objectief kunnen vaststellen in hoeverre rijkere landen zich hielden aan afspraken om armere landen te helpen. Die afspraken waren niet verplichtend. Vaak waren het papieren beloften; soms echte, maar voorwaardelijke toezeggingen. Maar het simpele feit dat er een gemeenschappelijke maatstaf bestond waarmee de inspanning kon worden geijkt, vormde een drukmiddel. Ieder land moest zich telkens opnieuw verantwoorden.

Het tweede doel was om tussen de hulpgevende landen een level playing field te creëren. Aanvankelijk waren ook militaire uitgaven, gedumpte voedseloverschotten, harde commerciële leningen, private investeringen en wat dies meer zij als ontwikkelingshulp opgevoerd. Dat kon niet meer. De ODA werd niet alleen een maatstaf voor de omvang van de hulp, maar ook voor de kwaliteit. Een transparante maatstaf maakte kwaliteitsvergelijkingen mogelijk. Zo werd overeengekomen de hulp geleidelijk wederzijds te ‘ontbinden’: ontwikkelingslanden werden niet langer verplicht aankopen te verrichten in het hulpgevende land. Gevers en ontvangers konden afspreken waaraan hulpdeviezen zouden worden besteed, maar niet waar de goederen en diensten werden gekocht. De ontwikkelingshulp werd niet langer gedomineerd door economische (export-)belangen van de hulpgever. Bovendien gingen de (import-)kosten van de hulpontvanger omlaag.

Natuurlijk verschilt de praktijk van de theorie. Hulp maakt landen afhankelijk. Donoren maken daar misbruik van. Hulpontvangende landen zijn geneigd de hulp toch maar te besteden in het land dat de hulp verstrekt, om toekomstige hulp niet te verspelen. Maar het systeem van ODA-registratie, -beoordeling en -verantwoording droeg bij aan objectivering en aan meer autonomie voor ontwikkelingslanden. Dat is op zich reeds een doel van ontwikkelingssamenwerking, althans dat zou het moeten zijn.

Het ODA-stelsel verdient overeind te blijven, ook wanneer afgesproken kwantitatieve doelstellingen uit het zicht verdwijnen. De hulp was bedoeld om de economische groei van ontwikkelingslanden te versnellen. Berekend werd hoeveel daarvoor nodig was. Dat bedrag was ongeveer 0,7 procent van het inkomen van de rijke landen. Die beloofden zich daaraan te houden, en zo was een soort van internationale vlaktaks geboren. Inmiddels hebben veel ontwikkelingslanden zich economisch zozeer ontwikkeld, dat er eigenlijk geen behoefte meer is aan macro-economische hulp in de vorm van vrij besteedbare deviezen (behalve in crises en om schuldenverlichting te financieren). De katalyserende functie van de hulp was bedoeld voor een tijdelijke, zij het lange periode, maar die kan nu worden afgesloten.

Echter, binnen economisch geëmancipeerde ontwikkelingslanden is de armoede nog groot en neemt de sociale ongelijkheid toe. Sommige landen kunnen dat vraagstuk zelf aanpakken, net zoals het Westen, maar andere (nog) niet. Zij hebben daarvoor nog onvoldoende middelen, of het wordt hen moeilijk gemaakt door de economische globalisering. Bovendien: veel landen negeren hun armere bevolkingsgroepen of sluiten ze uit.

Na 2015 kan de hulp vooral gericht worden op sociale zekerheid, in aanvulling op de inspanningen van de ontwikkelingslanden zelf. Aan de hand van gemeenschappelijke criteria kan de behoefte aan internationale bijstand voor sociale zekerheid van arme bevolkingsgroepen worden berekend, net zoals destijds de behoefte aan hulp voor economische groei van arme landen.

De VN zouden zich dat na Rio+20 tot taak kunnen rekenen. In plaats van official development assistance zou men kunnen spreken over sustainable development finance: SDF, met net zo’n systeem van registratie, beoordeling en verantwoording als tot nu bij de ODA.

Daarbij kan een ruime definitie worden gekozen, inclusief internationale uitgaven die niet louter op armoedebestrijding betrekking hebben, maar ook op grensoverschrijdende verzekering van duurzaamheid, zoals de zorg voor internationale publieke goederen, klimaataanpassing en conflictpreventie. Ik vermoed dat het omslagtarief boven de 0,8 procent komt te liggen. Niet alleen traditionele donorlanden zullen moeten worden aangeslagen, maar ook opkomende markteconomieën. Het tarief zou progressief moeten zijn, geen vlaktaks.

Dit artikel verscheen in de laatste Vice Versa. Neem nu een abonnement op het vakblad en u ontvangt deze Vice Versa alsnog in de bus.

Auteur
Jan Pronk

Datum:
21 november 2012
Categorieën: