EPA’s: we just don’t seem to care at all

BLOG – Bij alle tumult rond TTIP valt de aandacht die er in Nederland is voor de handelsakkoorden tussen de EU en de zogenaamde ACP-landen (Afrika, Caraïben & Pacific) volledig in het niet. Ook in die landen zelf, stuk voor stuk voormalige koloniën van voormalige Europese grootmachten, doen de Economic Partnership Agreements (EPA’s) voor het oog weinig stof opwaaien. Vreemd, want behalve voordelen brengen de akkoorden ook risico’s voor de lokale en regionale economieën in het Zuiden met zich mee. Reden genoeg voor Kees Knulst, deelnemer aan MP Watch, de masterclass van Woord en Daad, om een kritische analyse op deze materie los te laten.

Al sinds het jaar 2000, naar aanleiding van het Cotonou-akkoord, is de Europese Unie (EU) druk doende een nieuwe serie handelsakkoorden van de grond te krijgen. ‘Constructieve’ partners in dit proces zijn 49 van de in totaal 77 ACP-landen, verdeeld over zeven regio’s. 15 jaar later is er slechts één akkoord in werking getreden: CARIFORUM, met een aantal landen in de Cariben. Een tweetal akkoorden ondergaat op het moment van schrijven een technische behandeling (‘legal scrubbing’), de één met Zuidelijk-, de ander met Oost-Afrika. Het akkoord met West-Afrika ligt ter goedkeuring bij de nationale parlementen in de regio.

Succes story

EPA’s zijn bedoeld om het systeem van unilaterale handelspreferenties te vervangen. Dat systeem wordt tot nog toe gehanteerd voor de meeste landen in de regio’s waarmee de EU nu op het punt staat een handelsakkoord te sluiten, maar is in strijd met de vrijhandelsregels van de Wereld Handelsorganisatie (WHO).

EPAs are aimed at promoting sustainable development and growth, poverty reduction, better governance and the gradual integration of ACP countries into the world economy,’ zo luidt het credo van de EU. Het spreekt dan ook voor zich dat EPA’s vooral ten goede zouden moeten komen aan de genoemde ACP-landen. Of heeft de EU een dubbele agenda?

Kern van de EPA’s is het liberaliseren van de markt door afschaffing van invoerheffingen. In het conceptakkoord met de West-Afrikaanse regio is overeengekomen dat binnen 20 jaar 75% van de West-Afrikaanse goederenmarkt zal zijn geopend voor Europa. Bepaalde ‘gevoelige’ sectoren binnen de landbouw en industrie in West-Afrika zijn daarvan uitgezonderd, waaronder vlees en vis (zowel rauw als behandeld), verwerkte groenten, granen, cacao(-bereidingen), pasta’s, cement, textiel, kleding, verf en vernis. Voor de Oost-Afrikaanse regio geldt een liberaliseringsdoelstelling van 91,3%. Ook daar worden vergelijkbare productgroepen uitgezonderd van vrijhandel, zoals cacao, koffie, thee, maïs, vlees en vis.

Het is toe te juichen dat het onder het EPA-regime mogelijk blijft productgroepen die belangrijk zijn voor de lokale economieën te beschermen tegen de moordende concurrentie van Europese massaproducenten. Op die manier wordt enigszins rechtgedaan aan de asymmetrie in het economisch ontwikkelingsniveau tussen de EU en de Afrikaanse regio’s.

Keerzijde van het verhaal

Tegelijkertijd zijn er tal van ontsnappingsroutes waarlangs Europese bedrijven alsnog een toegang kunnen forceren tot de West- en Oost-Afrikaanse markt. Een sprekend voorbeeld daarvan doet zich voor in de zuivelsector. Melk staat weliswaar op eerdergenoemde lijst met uitzonderingen, maar de door Europa in grote hoeveelheden geproduceerde melk in poedervorm mag onder het EPA-regime vrijelijk naar de Afrikaanse regio’s worden geëxporteerd. Het goed denkbare gevolg: de teloorgang van de lokale melkproductie. Zo bezien worden de ongelijke economische verhoudingen tussen Noord en Zuid eerder versterkt dan weggenomen.

Daarbij komt nog dat het Europese subsidiebeleid onder de Common Agricultural Policy (CAP) niet spoort met de subsidiebepalingen zoals die in de voorlopige EPA’s met West- en Oost-Afrika zijn opgenomen. In artikel 48 lid 6 van het akkoord met West-Afrika staat dat ‘the EU Party shall refrain from using export subsidies for products exported to West Africa’. Tegelijkertijd voorziet de CAP in het verlenen van subsidies aan boeren om zo de mondiale concurrentiepositie van de Europese landbouw te versterken en beter in te kunnen spelen op de groeiende vraag naar landbouwproducten. Gezien de greep van de agrarische lobby op Brussel is het zeer de vraag of binnen het Europese landbouwbeleid rekening gehouden zal worden met het verbod op exportsubsidies voortvloeiend uit een handelsakkoord met West-Afrika.

Een derde bezwaar tegen de EPA’s met West- en Oost-Afrika, zoals die er nu uitzien, wordt naar voren gebracht door de Europese NGO-koepelorganisatie CONCORD in haar recent verschenen Spotlight Report 2015. Het concept-akkoord met Oost-Afrika bepaalt in artikel 15 lid 1 dat ‘the Parties shall not institute any new duties or taxes in connection with the exportation of goods to the other Party that are in excess of those imposed on like products destined for internal sale.’

Plat gezegd betekent dit dat Oost-Afrikaanse landen aanzienlijke sommen aan belastinginkomsten zullen mislopen. In artikel 129 wordt weliswaar bepaald dat ‘this specific challenge shall be addressed through the creation of a compensatory framework’, maar een concreet voorstel voor de invulling daarvan ontbreekt. Die tegemoetkoming lijkt dus niet meer te zijn dan een zoethoudertje om tegenstribbelende partijen over de streep te trekken.

Les uit 1998

Kort gezegd, aan de handelsakkoorden met de EU kleven belangrijke risico’s voor lokale en regionale economieën op het Afrikaanse continent, met name voor de landbouwsector. Dat een economisch partnerschap met de EU een bedreiging kan opleveren voor minder ontwikkelde regio’s in het Zuiden, zou in Europa een gevoel van schaamte moeten oproepen. Waarom nog investeren in grootschalige landbouwprojecten in het Zuiden, wanneer de resultaten daarvan met hetzelfde gemak teniet worden gedaan?

Dezelfde incoherentie kenmerkt overigens evengoed het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, wanneer de overheid enerzijds investeert in een verbetering van de concurrentiepositie van lokale boeren, bijvoorbeeld in Uganda, en tegelijkertijd steun verleent aan de handelsakkoorden zoals die er nu uit zien.

Hoog tijd voor Minister Ploumen, evenals voor politiek en media, om  het EPA-dossier weer eens af te stoffen. Gezien de mogelijk ingrijpende consequenties voor het Zuiden verdienen ook deze verdragen het om zorgvuldig besproken en gewogen te worden alvorens door het parlement te worden afgehamerd.

Of had Meja gelijk, toen ze in 1998 in haar liedje ‘It’s all about the money’zong:

…We find strange ways of showing them how much we really care, when in fact we just don’t seem to care at all…

 

Auteur
Kees Knulst

Datum:
23 april 2015