Natuurlijk handel, maar wel op een andere manier dan Ploumen voorstelt

Natuurlijk willen arme landen liever handel dan hulp maar dan wel op een totaal andere manier dan Ploumen nu voorstelt, betoogt Hans Beerends. Beerends is auteur van een reeks boeken over de geschiedenis van de Derde Wereldbeweging en de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking en de oproep ‘Trade, not aid’ uit 1968 was voor hem en enkele anderen reden om de wereldwinkels op te richten.

Door het opvoeren van de handel met arme landen kan de bezuiniging op ontwikkelingshulp worden gecompenseerd, zegt minister Ploumen in een interview in de Volkskrant van zaterdag 3 maart. Critici die daar vraagtekens bij zetten, zoals Paul Hoebink en Paul Collier in het laatste nummer van Vice Versa, zijn volgens haar blijven hangen in de jaren zestig.

Want, zo voegt de minster daaraan toe, de arme landen willen zelf liever handel drijven dan hulp ontvangen. Nu is dat laatste waar, maar wel op een totaal andere wijze dan Ploumen nu voorstelt.

Al op de Unctad conferentie over handel en ontwikkeling in 1968 eisten de arme landen, georganiseerd in de ‘groep van 72’ verlaging en liefst totale afbreking van de westerse tariefmuren, waardoor er meer ruimte zou ontstaan voor hun export naar rijke landen. Meer handel dus en om dat nog eens te benadrukken lanceerden zij de slogan ‘Trade Not Aid’.

De rijke landen trokken zich daar niets van aan. Ze verhoogden wel de hulp, maar hun industrie en landbouw konden blijven groeien en bloeien achter hoge veilige tariefmuren.

Die groei was zelfs zo groot dat zij de export moesten opvoeren naar arme landen. Teneinde alle belemmeringen voor hun export op te heffen werden deze landen dringend verzocht en, als zij geld wilden lenen bij IMF of Wereldbank, zelfs gedwongen hun markten open te stellen voor westerse importen en investeringen.

In plaats van het inwilligen van de Trade Not Aid wens van de arme landen, kwamen de rijke landen met de eis: Geen Free Trade, dan ook geen Aid.

Hangen in de jaren zestig

Het lijkt me voor Ploumen goed als zij bij haar uitspraak over handel een ogenblik blijft hangen in de jaren zestig en de in 1968 uitgesproken wens van arme landen serieus neemt.

Nu lijkt het mij dat Ploumen, als oud mede-directeur van Cordaid, oud directeur van Mama Cash en als oud vice-voorzitter van de Evert Vermeer Stichting dat allemaal wel degelijk weet, maar dat zij als vertegenwoordiger van een neoliberaal-sociaal kabinet niet veel anders kan doen dan opereren binnen de marges van het afgesproken beleid.

Maar doet zij dat ook of beter gezegd: hoe groot is haar ruimte? ‘Handel is goed’ is een onzinnige uitspraak. ‘Handel is slecht’, is net zo’n onzinnige uitspraak. De vraag moet luiden: voor wie is deze specifieke handel goed?

Op dezelfde dag dat Ploumen haar uitspraak deed in de Volkskrant, schrijft Marit Maij, Tweede Kamerlid van de PvdA en woordvoerder ontwikkelingssamenwerking, over dezelfde kwestie in het dagblad Trouw. Zij ervaart investeringen van Nederlandse bedrijven in arme landen als positief op voorwaarde dat ‘lokale autonome bedrijvigheid niet wordt weggeconcurreerd en arbeidsrechten alsmede sociale en culturele rechten worden gerespecteerd.’

Kijk,  daar kom je dichter bij een probleem. Traditionele maar ook nieuwe opkomende industrieën in arme landen staan machteloos tegenover de efficiënt draaiende westerse schoen, textiel, bier, frisdrank en levensmiddelen productiebedrijven. Machteloos als deze bedrijven hun producten goedkoop en soms zelfs door de EU gesubsidieerd naar arme landen exporteren en helemaal machteloos als deze bedrijven zich in arme landen gaan vestigen. In het verleden is dit vaak gebeurd en in hoeverre de huidige investeringen zich hier ook aan schuldig maken blijft onduidelijk.

Dat wil niet zeggen dat investeringen altijd negatief uitpakken. Het klinkt ironisch maar als banen bij de traditionele bedrijven in arme landen eenmaal weggeconcurreerd zijn, zorgen westerse investeringen voor nieuwe werkgelegenheid.

Rare kronkelwegen

Handel, investeringen: het kan goed gaan of het kan fout gaan, maar zelfs als het goed uitpakt verloopt die hele strijd tegen armoede in feite via rare kronkelwegen. Hulpbeleid, samenwerkingsbeleid of hoe je het ook noemen wilt zou primair gericht moeten zijn op het bestrijden van armoede en als die bestrijding ook goed uitpakt voor de Nederlandse economie dan is dat mooi meegenomen.

In feite gebeurt thans – maar in mindere, soms meerdere mate ook in het verleden – het tegenovergestelde. Hulpbeleid moet goed zijn voor onze economie en als dat ook goed uitpakt voor arme mensen in ontwikkelingslanden is dat mooi meegenomen.

Sommige ministers voor ontwikkelingssamenwerking hebben dat Nederlandse belang in het verleden benadrukt (de ministers Udink en Schoo), anderen  legden het accent bij de arme landen (Pronk en De Koning ), maar niemand kon zich geheel onttrekken aan de invloed van het (inter)nationale bedrijfsleven. Zolang dat bedrijfsleven moet opereren in een economisch bestel wat berust op marktdenken en concurrentie kan een ondernemer, wil hij overleven, ook niets anders doen dan zoeken naar de laagste arbeids- en grondstoffenkosten.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, en die trend is er gelukkig, kon alleen maar ontstaan onder druk van maatschappelijke (ontwikkelings)organisaties, actiegroepen en kritische consumenten. Pas als dit publieke draagvlak er is kunnen ondernemers, de ene contre coeur, de ander met hart en ziel, zich permitteren een meer sociaal beleid te voeren.

Wenselijke maatschappelijke verantwoordelijkheid

In hoeverre wil en kan Ploumen, wijzend naar een mogelijk slecht imago van de ondernemer, de kaart van een wenselijke maatschappelijke verantwoordelijkheid uitspelen? Doordenkend op de lijn van een wenselijk voortgaand maatschappelijk denken en gedrag van ondernemers, vakbonden, maatschappelijke organisaties, kiezers, consumenten, kortom wereldburgers, komt de mogelijkheid in zicht van internationale wet- en regelgeving die zorgdraagt voor een beleid op het gebied van voedselzekerheid, sociale stabiliteit, zuiver drinkwater en veiligheid in het belang van alle aardbewoners.

Het is een visie die de afgelopen vijftig jaar vele malen naar voren gebracht is door wetenschappers van verscheidene disciplines, politici, deskundige ambtenaren, ontwikkelingsorganisaties en niet te vergeten actiegroepen in arme en rijke landen. Tot nog toe stuitte deze ambitieuze visie echter keer op keer op de onwil van westerse industrie en landbouwlobby’s, vakbonden en  politieke partijen.

Laten we hopen dat de, toch sociaal-democratisch denkende Ploumen, een zetje gaat geven in de richting van deze zo noodzakelijke internationale aanpak.

 

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
05 maart 2013
Categorieën: