De toverwoorden progressief en conservatief

Minister Ploumen bestempelt haar criticasters als ouderwets. Het is volgens publicist en nestor van de derde wereldbeweging Hans Beerends niet de eerste keer dat juist mensen die een neoliberale politiek voeren zichzelf tooien met woorden als progressief en vooruitstrevend en criticasters die een politiek willen die meer gericht is op menswaardigheid wegzetten als ouderwets of traditioneel. Een historisch overzicht van het gebruik van de begrippen progressief en conservatief in het debat.

In het huidige, in grote mate door de VVD gedicteerde ontwikkelingsbeleid, krijgt het Nederlands bedrijfsleven meer dan ooit een voorkeursbehandeling. Minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, die daarmee naar ik aanneem enigszins knarsetandend akkoord is gegaan, tracht dit nieuwe beleid te verkopen als progressief.

De tegenstanders van dit Nederlandse handelsbeleid krijgen het stempel conservatief opgeplakt. Daarbij wordt de minister, wellicht vanuit een oude loyaliteit, gesteund door een woordvoerder van haar vroegere werkgever Cordaid.

Overigens is er niets op tegen als hulp gebruikt wordt voor het ondersteunen van lokale bedrijven in ontwikkelingslanden. In de Volkskrant van 13 maart staat onder de kop ‘ontwikkelingswerker wordt zakenman’ beschreven op elke wijze ICCO lokale bedrijven in ontwikkelingslanden steunt. Prima maar wat is daar nieuw aan? Zolang ontwikkelingssamenwerking bestaat is er samengewerkt met plaatselijke bedrijven en heeft de ‘derde wereldbeweging’ gepleit voor autonome economische ontwikkeling in arme landen.  Zelfs als een Nederlands bedrijf zich in een ontwikkelingsland vestigt, daar geen lokaal bedrijf van de markt dringt, redelijk betaalde werkgelegenheid schept en de winst in het betreffende land investeert, is er niets verkeerds aan.

Het stempel progressief

Waar de kritiek zich nu en in het verleden op richt is het gebruiken van hulp ter ondersteuning van een export en investeringsbeleid wat niet ten goede komt aan de armen. Nu heeft het bedrijfsleven altijd willen profiteren van hulpgelden: het hulpbudget is begin jaren zestig zelfs ingesteld op verzoek van het Nederlandse bedrijfsleven. Alleen was men toen zo eerlijk aan te geven dat men deze hulp nodig had ter financiering van exporten naar landen met weinig koopkracht.

Op dit ogenblik echter krijgt dit nieuwe hulp/export/investeringsbeleid het stempel progressief en degenen die hulp vooral en liefs uitsluitend willen geven ten behoeve van de emancipatie van de armen, krijgen het stempel conservatief.

Hierbij kom ik op de vraag waarom voorstanders van meer dominantie van het bedrijfsleven zo graag het woord progressief gebruiken en waarom dit woord allang de lading niet meer dekt.

Verschil in taalgebruik

In de eerste plaats wil ik een verschil maken tussen het gebruik van het woord progressief in algemene zin en het gebruik in het politieke spraakgebruik.

In algemene zin staat het woord progressief voor een proces in een bepaalde negatieve of positieve richting. Een voortschrijdend niet te stoppen ziekteproces heet een ziekte met een progressief verloop. Een belasting die hoger wordt naarmate men meer verdient heet een progressief belastingstelsel. Objectieve waarneming dus van een voortschrijdend proces.

Als men het woord echter in politieke zin gebruikt, dan betekent progressief vooruitstrevend en dan kan je de vraag stellen: vooruitstrevend waar naartoe?

In theorie kan je over het punt waar je naartoe streeft van alles bedenken, maar in de praktijk is er in grote lijnen altijd overeenstemming geweest over wat men met vooruit bedoelt en waar men naar streeft. In politieke zin is met progressief altijd gedoeld op de strijd voor meer menswaardigheid, juridische gelijkheid, meer rechtvaardigheid, meer ontplooiingsmogelijkheden, meer verdraagzaamheid en meer onderling respect.

De 19e eeuw

In de 19e eeuw werden liberalen progressief genoemd, want zij streefden naar gelijke rechten en meer menswaardigheid tegenover de conservatieve standenmaatschappij. Als liberalen eind 19e eeuw de juridische gelijkheid echter als hun eindpunt gaan ervaren, en zich keren tegen het pleidooi van meer economische gelijkheid door de opkomende vakbonden en sociaaldemocratische partijen, wordt de strijd van laatstgenoemde bewegingen progressief genoemd en dat van de liberalen conservatief.

De liberalen weigerden echter het stempel conservatief en bleven zichzelf als progressief zien, met name tegenover de confessionelen. De socialisten noemden de liberalen overigens ook niet altijd conservatief. Men koos meer voor het begrip reactionair. Reactionair, het woord zegt het al, benoemt een groep die reageert tegen de snelheid van de voortschrijdende maatschappelijke ontwikkeling naar meer gelijke rechten, meer mensenrechten, meer respect voor menselijke waardigheid en meer rechtvaardigheid.

Rijnlandkapitalisme versus neoliberalisme

In feite hebben de liberalen bovengenoemde ontwikkeling tot de jaren tachtig van de vorige eeuw wel vertraagd, maar nooit per se willen tegenhouden. Het liberale denken van de 19e eeuw over zo weinig mogelijk overheidsbemoeienis en het liberale denken van na de Tweede Wereldoorlog verschilt hemelsbreed.

Ook de liberalen kozen, weliswaar traag en soms tegenstribbelend, voor het zogeheten Rijnlandkapitalisme dat ook wel verzorgingsstaatkapitalisme genoemd werd. Daar kwam pas verandering in na de opkomst van het neoliberale denken onder president Reagan van de VS en de publicaties van de econoom Milton Friedman. In het neoliberalisme wil men in feite weer terug naar de situatie van het begin van de 20e eeuw: weinig of geen staatsbemoeienis. De ontwikkeling van de vrije markt mag op geen enkele wijze belemmerd worden en dus een snelle afbraak van de verzorgingsstaat. Zo Neo is dat liberalisme dus niet, het is feite een teruggang naar Af.

De strijd om woorden

En hier gekomen begint de strijd om woorden. Wie is er progressief en wie conservatief? Als je progressief vertaalt als vooruitstrevend en het punt waarnaar gestreefd wordt ziet als de maatschappelijke ontwikkeling die hierboven beschreven is, dan is het huidige neoliberale standpunt alles behalve progressief. Liberalen willen zichzelf echter graag tooien met het woord progressief, dus veranderen zij de inhoud van het woord.

De afbraak van de verzorgingsstaat en de bevordering van de economische dominantie van banken en het (inter) nationale bedrijfsleven wordt nu opgesierd met fris klinkende woorden als ‘de vernieuwde terugtredende overheid’, ‘meer flexibiliteit, ‘de bevrijding van het individu van overheidsbemoeienis’, ‘de redelijkheid van markconforme beloning’, ‘de vrijheid en de zelfredzaamheid van de ZZP’er’, ‘het vergemakkelijken van zo goedkoop mogelijk produceren. ‘ Dit alles krijgt dan de naam progressief.

Traditie en hervorming krijgen andere betekenis

Ook het woord hervorming en het woord traditioneel krijgen nu een andere betekenis. Het woord hervorming, ooit gebruikt als een woord wat aangaf dat men de maatschappij wilde hervormen in de maatschappelijke ontwikkeling zoals hierboven geschetst, werd nu gebruikt om een teruggang te benoemen. Femke Halsema wilde GroenLinks naar rechts laten opschuiven, onder andere door het voornemen om enkele verzorgingswetten terug te draaien. Deze teruggang werd door haar gebracht als een hervorming in positieve zin.

Ook het woord traditie is een prachtig etiket om uit te delen aan groepen waar je het niet mee eens bent. Ik kan me herinneren dat de regionale Centra voor Ontwikkelingssamenwerking, de Cossen, in de jaren tachtig door de toenmalige NCDO gedwongen werden om een a-politiek beleid te gaan voeren. Na veel discussie ging de meerderheid van de Cossen daarmee akkoord. Vanaf dat moment gaven zij de meer politieke derde wereldbeweging de naam traditionele derde wereldbeweging.

Toen premier Wim Kok onder invloed van de neoliberale tijdgeest in de jaren negentig meeging met de zogeheten neoliberale ‘derde weg’ noemde hij het weggooien van sociaal – democratische uitgangspunten een ‘bevrijdende ervaring.’ We zullen in de komende jaren waarschijnlijk wel vaker zien dat partijen en personen die het kapitalistische Rijnlandmodel willen afbreken en daarvoor in de plaats het Angelsaksische Casinokapitalisme willen invoeren hun streven zullen verkopen met de woorden progressief, hervormend, vernieuwend en vooruitstrevend.

Voor wie is het vooruitstrevend?

Het is daarom belangrijk om je keer op keer af te vragen. Voor wie is dit vooruitstrevend? Wie profiteert van deze hervorming en wie is er de dupe van? Het is niet de eerste keer dat geprobeerd wordt de lopende positieve maatschappelijke ontwikkelingen terug te draaien. En het is ook niet de eerste keer dat dit streven mislukt en dat na een korte inzinking de lijn naar meer menswaardigheid, meer gelijkheid en meer humanitaire waarden zich herstelt.

Het zou in dit kader goed zijn als minister Ploumen als voormalig mededirecteur van Cordaid, Mama Cash voormalig voorzitter van de Evert Vermeer Stichting de pleidooien die zij in die jaren hield voor een progressief humanitair ontwikkelingsbeleid in haar nieuwe functie concretiseert. Ze heeft nu de kans. In plaats van de kritiek van haar solidaire achterban van zich af te werpen zou ze deze kritiek ter harte moeten nemen en kunnen gebruiken voor het versterken van haar positie in de onderhandelingen met de huidige, in historisch opzicht, politiek verstokte liberalen.

 Hans Beerends (1931) was medeoprichter en coördinator van de wereldwinkelbeweging en voorzitter van het milieu/derde wereldsamenwerkingsverband ‘Honger Hoeft Niet.’ Binnenkort verschijnt van zijn hand het boek ‘Tegen de draad in –een beknopte geschiedenis van de (derde) wereldbeweging.’ Eerder schreef hij de boeken De Nederlandse ontwikkelingshulp in discussie (1977), Dertig jaar Nederlandse Ontwikkelingshulp (1981), De derde wereld beweging (1993), Weg met Pinochet –een kwart eeuw solidariteit met Chili (1998) en De Bewogen Beweging –een halve eeuw mondiale solidariteit (2004, samen met Marc Broere).

 

 

 

 

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
19 maart 2013