Budget voor ontwikkelingssamenwerking; wat drijft ons?

Hoewel de financiële druk van bezuinigen voor even van de ketel is, neemt dat niet weg dat het goed zou zijn om de internationale ambities van Nederland eens tegen het licht te houden, vindt voormalig topambtenaar en opiniemaker Paul Hassing. Wat willen we nou eigenlijk en wat drijft ons? En hoeveel hebben we er voor over?

De Kunduz coalitie heeft het budget voor ontwikkelingssamenwerking (OS) weten vast te prikken op 0.7% van ons BNP. Daarmee is een verder (tijdelijke) bezuiniging tot 0.6 % voorkomen. Uit peilingen bleek dat 40% het daarmee eens is en 60% vind dat het best wat minder zou mogen. Het lijkt erop dat de veelgehoorde argumentatie dat bezuinigen op het OS budget geen negatieve effecten heeft op onze economische groei, werkgelegenheid, koopkracht aan de winnende hand is ten opzichte van de argumentatie dat de solidariteit met de armen juist in een crisis tijd er niet onder mag lijden.

Alle andere bezuinigingen hebben op de een of andere manier negatieve effecten en een (grote) lobbygroep om zich ertegen te verzetten. De armen van deze wereld zouden geen stem hebben in de Nederlandse politiek en zijn dus het (makkelijke) kind van de politieke rekening.

Hoewel de financiële druk voor even van de ketel is, neemt dat niet weg dat het goed zou zijn om de internationale ambities van Nederland eens tegen het licht te houden. Wat willen we nou eigenlijk en wat drijft ons. En daarna de vraag hoeveel hebben we er voor over?

MVO en MVD

Om deze vragen te beantwoorden moeten we allereerst teruggaan naar de vraag wat ons drijft om internationaal actief te zijn, wat er van Nederland internationaal wordt verwacht en hoe zich dat verhoudt tot andere landen.

We verdienen met zijn allen door onze handel veel aan het buitenland. We hebben maand op maand een positieve handelsbalans. Veel daarvan wordt in de handel met Europa en de VS verdiend. Maar we verdienen ook steeds meer aan ontwikkelingslanden en in het bijzonder aan de opkomende markten. Globalisering heeft Nederland veel voordeel opgeleverd. Het is van belang die relaties goed te houden, liefst te versterken omdat daar de groeimarkten zijn.

Hoe meer we weten wat daar leeft, hoe meer relaties we daar hebben, hoe beter we daarop in kunnen spelen. Daar waar het voor bedrijven geldt om op een maatschappelijk verantwoorde manier te ondernemen (MVO) en daarop worden aangesproken, mag verwacht worden van landen dat ze aangesproken worden op hun mondiaal verantwoorde manier van handel drijven (MVD). Dat wil zeggen dat we ook een mondiale en bilaterale verantwoording nemen voor onze sterke handelspositie.

Doorgeven van de aarde

Het is van belang dat we meewerken om de mondiale goederen (global common goods) te beschermen: klimaat, ozonlaag, biodiversiteit, e.d. Een gemeenschappelijke belang dus waarbij een ieder naar verantwoordelijkheid en draagkracht bijdraagt. We realiseren ons dat we dat niet alleen kunnen en dat daarvoor internationale partnerschappen nodig zijn. Soms in de vorm van internationale akkoorden, dan weer vrijwillige afspraken, soms via consumenten gedrag of via investeringsgedrag. We hechten waarde aan mondiale goederen die alleen in samenhang met andere landen kunnen worden beschermd. Noem het een mondiaal rentmeesterschap, het doorgeven van de aarde in een goede staat aan een volgende generatie.

Onze veiligheid is de grens allang gepasseerd. Die bevindt zich nu ook in landen als Afghanistan, Somalië, Congo, Pakistan, Suriname, Wit Rusland, Syrië.  Onveiligheid daar vindt zijn weerslag in de verhoudingen in Nederland, in mogelijke radicalisering hier en in de EU.  Het defensie beleid (en budget) richt zich steeds meer en terecht op het buitenland. Nederland heeft de meeste nationaliteiten binnen zijn grenzen met alle plezierige maar ook minder plezierige kanten daarvan.

De toenemende globalisering is een ontwikkeling die door een toename van de handel, toerisme, de aanslag 9/11, de makkelijke toegang tot internet en de opkomst van sociale media niet meer terug te draaien is. Het ligt voor de hand dat er (veel) Nederlanders zijn die deze ontwikkelingen niet kunnen overzien, er terughoudend op reageren en vragen om meer afscherming. Maar daar is het te laat voor, terug naar af. Deze mondiale ontwikkeling is niet meer terug te draaien, ze is een realiteit, iedereen maakt daar onderdeel van uit. Hoe we ermee omgaan, ligt wel deels binnen ons bereik.

Politieke wil hier

Nederland is een van de rijkste landen ter wereld waarbij gebruik is gemaakt van  hulpbronnen in ander landen. Dat schept morele en politiek verplichtingen tegenover de minder bedeelden van deze wereld. Dat is het vraagstuk van de mondiale cohesie. De minderbedeelden hebben niet alleen een extreem laag en onzeker bestaan maar zij worden ook allerlei elementaire rechten onthouden. Daarmee verkeren velen in een bijna uitzichtloze situatie. Als een vorm van beschaving, van solidariteit willen veel Nederlanders eraan bijdragen deze mensen een betere kans te geven. Deze politieke verantwoordelijkheid is internationaal vastgelegd in de zogenaamde 0.7% norm voor ontwikkelingssamenwerking.

Het beleid van Nederland en de EU is op een aantal verschillende beleidsterreinen zodanig dat het negatief uitwerkt voor ontwikkelingslanden. De coherentie van beleid staat nog maar in de beginfase, kan aanzienlijk worden verbeterd en de kosten voor de Nederlandse economie lijken behapbaar te zijn. Wat we met de rechterhand geven, nemen we met de linkerhand ruimhartig weer terug. Dit economisch, politiek vraagstuk kan worden opgelost omdat het handelingsperspectief in Nederland of in de EU en niet in ontwikkelingslanden ligt. Dit vergt een politieke wil hier, niet daar.

Groter deel BNP

Hoeveel middelen zijn er nodig om de bovenstaande politieke uitgangspunten uit te voeren? Dit hangt af van de ambitie die Nederland op deze terreinen koestert en hoe Nederland denkt zijn internationale positie verder uit te breiden, nu er meer landen terecht een plaats opeisen in het internationale krachtenveld. De economische en politieke concurrentie wordt groter en meer inspanningen zijn nodig wil Nederland en de EU hun huidige regionale positie in een globaliserende wereld stabiliseren, laat staan versterken.

Het ligt ook voor de hand dat Nederland een groter deel van zijn BNP hierin investeert dan grote landen zoals de VS en Japan omdat zij historisch reeds een sterkere internationale rol vervullen en een grotere aantrekkingskracht hebben op andere landen. Hun politieke, wetenschappelijke en culturele aantrekkingskracht is veel groter dan die van een land als Polen, Zweden of Nederland.

Onze uitgaven aan deze internationale agenda is niet zozeer gebonden aan absolute bedragen maar aan een vergelijking met wat andere landen doen. Wil Nederland internationaal mee tellen en sterk blijven dan zullen we meer van onze rijkdom moeten aanwenden voor het handhaven en uitbreiden van onze mondiale reputatie dan vele andere grotere landen.

Idee Tinbergen achterhaald

Het is in dit kader logisch dat een aantal kleinere landen (Noorwegen, Finland, Zweden, Nederland en Luxemburg) gerelateerd aan hun BNP meer ontwikkelingsgeld ter beschikking stellen dan de grotere landen zoals het VK, Japan en de VS. Zelfs met hun lagere uitgaven aan ontwikkelingshulp verzekeren deze landen een belangrijkere plaats aan de internationale (onderhandelings)tafels en een stabiele plaats binnen de globalisering.

Opkomende landen als Brazilië, China en India beseffen dit maar al te goed en zijn ook de weg ingeslagen van ontwikkelingssamenwerking. Het is in dit kader niet van belang dat de zgn. remittances en Foreign Direct Investment vele malen groter zijn dan het ontwikkelingsbudget. Het oorspronkelijke idee van Tinbergen om een bepaald deel van ons BNP te investeren in de economische groei daar, is daarmee achterhaald. Het gaat nu in een globaliserende wereld om zoiets ongrijpbaars als de reputatie van Nederland.

Wat hebben we ervoor over?

Evident dat Nederland een relatief groter deel van de rijkdom moet investeren in ons internationale imago dan een groot land. We zullen ons voortdurend extra moeten inspannen. Met de grote landen wordt dus rekening gehouden vanwege hun militair potentieel, innovatiekracht, bijna ongelimiteerde toegang voor studenten, de aantrekkingskracht van film en entertainment industrie, investeringspotentieel, wetenschappelijke prestaties, werkgelegenheid, e.d.

Nederland zal daar iets tegenover moeten stellen en dat kan heel goed door het budget voor ontwikkelingssamenwerking hoog te houden, vernieuwend te blijven op het gebied van de internationale samenwerking, vooral betrouwbaar over te komen en soms politiek gevoelige onderwerpen aan te snijden. Er is geen andere keuze. Op al deze punten hebben we de afgelopen twee jaar fors ingeleverd. Daarmee doen we onszelf tekort. Om nog maar niet te spreken van al de minderbedeelden op deze planeet en de duurzaamheid waarvoor we steeds maar weglopen.

Voor de volledigheid, dit laat onverlet dat het ontwikkelingsbeleid gemoderniseerd moet worden, aangepast aan de nieuwe verhoudingen en andere uitgangspunten moet kiezen. Zie mijn eerdere bijdragen op VV online over coherentie, mondiale instituties, NL Aid en de rol van het maatschappelijke middenveld.

 

Auteur
Paul Hassing

Datum:
15 mei 2012
Categorieën: