Tropenarts: eigenbelang of altruïsme?

Op 16 december organiseerde het Koninklijk instituut voor de Tropen (KIT) een drukbezocht symposium met het thema: Strong past, healthy future? The role of medical development cooperation in low income countries. Tijdens het symposium werd stilgestaan bij medische problemen in ontwikkelingslanden. Bijvoorbeeld de brain drain in Ethiopië, waardoor er meer Ethiopische artsen werken in Chicago dan in heel Ethiopië.

Door Lisanne Gerstel (KIT)

Tijdens het symposium kwam vooral de rol van medische ontwikkelingssamenwerking ter sprake. De voorzitter van de Raad van Bestuur van het KIT, Jan Donner, opende het symposium daarom met een positieve kijk op de rol van het KIT. Hij heeft er alle vertrouwen in dat ondanks het huidige economische en politieke klimaat het KIT een rol van formaat zal blijven spelen. Prisca Zwanikken, hoofd van de afdeling Education van KIT voegt hieraan toe: ‘Ook toen ik vele jaren geleden de tropencursus volgde, waren er felle discussies over het nut van het werken in de tropen. Deze discussies zijn verre van nieuw en het is goed dat deze steeds opnieuw gevoerd worden.’ Door onder meer dit symposium wil het KIT een bijdrage aan het debat leveren.

Geen altruïsme

Martin Grobusch, professor Tropische Geneeskunde aan het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam schetste een historisch perspectief over medische ontwikkelingssamenwerking: ‘Tropische geneeskunde is niet uit altruïsme ontstaan, veeleer was het een noodzaak om landgenoten die in de voormalige koloniën aan het werk waren gezond te houden. Pas later kwam de motivatie om ook de lokale bevolking te helpen’. Hoewel Grobusch de kritische blik van mensen als de bekende Zambiaanse econome Dambisa Moyo waardeert, ziet hij ook duidelijk kansen om bij te dragen aan de ontwikkeling van gezondheidszorg in arme landen. ‘De kansen liggen volgens mij voornamelijk op het gebied van onderzoek in samenwerking met lokale wetenschappers. Dit geeft duurzame en belangrijke vorderingen en heeft niet het nadeel van het eenzijdige geven van geld’, aldus Grobusch.

Morele plicht

Jelle Stekelenburg, gynaecoloog van Medisch Centrum Leeuwarden en als tropenarts betrokken bij projecten in Tanzania, meent dat het debat over ontwikkelingshulp vaak te emotioneel is. Ook de econome Moyo betrekt in haar bekende boek Dead Aid verhalen van haar eigen familie bij het debat. Stekelenburg’s ervaringen over het terugdringen van moedersterfte in Afrika is dat westerse artsen en organisaties hier zeker aan bij kunnen dragen, mits in nauwe samenwerking met lokale gezondheidswerkers. Hij refereerde ook aan de enorme problemen door het wegtrekken van gezondheidspersoneel – de zogenaamde ‘brain drain’ – waarbij er bijvoorbeeld meer Ethiopische artsen in Chicago werken dan in heel Ethiopië. Stekelenburg: ‘Armere landen investeren hun spaarzame centen in het opleiden van gezondheidswerkers, maar rijke landen plukken hier nog altijd de vruchten van. Zolang de ongelijkheid ten aanzien van gezondheid in de wereld zo groot is, heeft het rijkere deel van de wereld de morele plicht om een bijdrage te leveren.’

Van idealist naar ‘thrill seeker’

Dat medisch ontwikkelingswerk niet rijk maakt, werd duidelijk door Suzanne Viveen, alumnus van de Netherlands course for Tropical Medicine and Hygiene (NTC), die in een persoonlijk verhaal aangaf welke drijfveren zij heeft als tropenarts. Viveen: ‘Ik stop mensen graag in hokjes, dat maakt het leven overzichtelijk. Ik onderscheid drie typen tropenartsen: de idealisten, religieuzen en ‘thrill seekers’. Deze laatste groep doet ervaring op, maar ziet het werk ook als avontuur’. Viveen begon als pure idealist en merkte dat niet reële idealen vaak tot frustratie leiden. Nu haalt ze haar motivatie deels uit idealisme en deels uit persoonlijk avontuur. Ze ondervond dat het lokaal werken in Colombia geen duurzame veranderingen brengt, wanneer er geen actief gezondheidsbeleid wordt gevoerd in samenwerking met de lokale overheden.

Met de kennis van de opleiding Master of International Health die Suzanne Viveen momenteel bij het KIT volgt, wil ze lokale gezondheidssystemen optimaliseren en meer zorggarantie creëren voor lokale bevolkingsgroepen die daar het meest behoefte aan hebben.

Gemotiveerde jonge gezondheidswerkers

De drie deskundigen waren het er over eens dat duurzame samenwerking met lokale wetenschappers, gezondheidswerkers en overheden noodzakelijk is om een actief lokaal gezondheidsbeleid te voeren en daarmee resultaat te boeken. Tijdens het symposium kregen 19 gezondheidswerkers hun NTC-diploma. De meesten van hen vertrekken na de kerstvakantie voor werk in Afrika in uitdagende landen als Sierra Leone, Zambia, Nigeria, Somalië en Tanzania. Wat de rol van medische ontwikkelinghulp in de toekomst ook mag zijn, er zijn veel gemotiveerde jonge gezondheidswerkers die een bijdrage willen leveren.

Lisanne Gerstel is adviseur en cursuscoördinator Netherlands course for Tropical Medicine and Hygiene (NTC), Koninklijk Instituut voor de Tropen.

 

Auteur
Lisanne Gerstel

Datum:
23 december 2011
Categorieën: