‘Democratieën moeten groeien’

Kun je een democratie maken of moet ze organisch ontstaan? Moeten westerlingen zich ermee bemoeien of juist niet? Gooit donorgeld roet in het eten? Is er vooruitgang? In een rondetafelgesprek stelde Vice Versa vijf vragen aan drie Nederlandse directeuren van internationale organisaties die democratie helpen bevorderen in ontwikkelingslanden. ‘Ondanks alle verliezen in de strijd voor democratie, zegt iedereen: het was het waard.’

In een statig kantoor in het centrum van Den Haag ontvangt Hans Bruning, directeur van het Nederlands Instituut voor Meerpartijendemocratie (NIMD) twee collega-directeuren om te praten over democratie. Dat onderwerp is ook de core business van Theo Kralt van de Association of European Parliamentarians with Africa (Awepa) en Elisabeth van der Steenhoven van WO=MEN (‘Women equals Men’). Awepa werkt veelal met parlementen en parlementariërs, NIMD met politieke partijen en WO=MEN met burgerorganisaties. In een gemoedelijke discussie legden Bruning en Kralt de nadruk op het belang van respectievelijk politieke partijen en parlementen voor het bevorderen van democratie. Van der Steenhoven wees veelvuldig op de bijdragen van burgers en de rol van sociale media als nieuwe controlemechanismen in moderne democratieën.

1) Moeten we democratie overal willen bevorderen?

Theo Kralt: ‘Awepa heeft een werkwijze waarbij we altijd een “Memorandum of Understanding” (MoU) sluiten met een parlement in Afrika. Het is dus nooit eenzijdig, maar gaat om een evenwichtige en respectvolle samenwerking. Wij vragen wat de behoefte is, leggen niks op en ondernemen gezamenlijk actie. Die actie is natuurlijk in elk land anders. De democratie in Mozambique bevindt zich in een totaal andere fase dan die in Somalië, dat je een gefragmenteerde staat zou kunnen noemen. Daar heeft Awepa de taak om mensen bij elkaar te brengen en te discussiëren over hoe een parlement zich kan beginnen te openen en organiseren. Je moet je goed verdiepen in het politieke bestel. De Democratische Republiek Congo is bijvoorbeeld een moeilijk bestuurbaar land met een mate van dictatuur waarin het parlement zijn weg zoekt. De bevordering van democratie en vredesontwikkeling in dat land kan een regionale aanpak vergen, waarbij het hele Grote Merengebied wordt betrokken. Terwijl Awepa in een land als Zuid-Afrika, dat een veel effectievere democratie kent, een programma heeft voor lokale overheden.’

Hans Bruning: ‘Ik ga met Kralt mee. Het is waanzin om te denken dat je vanuit een vast concept kunt werken. De wens om gehoord te worden en je gerepresenteerd te voelen, is universeel. Maar je moet altijd kijken naar de behoefte van een land. In Burundi brengen wij strijdende partijen bij elkaar, in een veel beter functionerende democratie als Ghana ondersteunen we politieke partijen bij het agenderen van thema’s als het grondstoffenbeleid en het electorale systeem. Voor het NIMD is het gebruikelijk dat wij een vraag tot ondersteuning krijgen. Soms heel rechtstreeks vanuit de politiek, soms vanuit Nederlandse ambassades of de Europese Unie. We worden vooral gevraagd om dialoog tussen partijen te bevorderen, en daarnaast trainen we partijen in zaken als strategische planning. Daar moeten ze nadenken over hun visie als partij en hoe ze die in de praktijk willen brengen.’

Van der Steenhoven: ‘Ik kan me totaal niet vinden in de vraagstelling. Het gaat niet om “we”. Democratie is geen westerse uitvinding. In prekoloniaal Afrika waren er traditionele systemen van checks and balances die soms inclusiever waren dan de westerse democratieën. In het huidige Nigeria kon een koning zich pas laten kronen als hij steun kreeg van zijn volk en zijn vrouw. In het prekoloniale Kenia was er niet één heerser maar waren er roterende vertegenwoordigers, verenigd in een parlement. Dergelijke voorbeelden zijn ook te vinden in Maya-culturen in Centraal-Amerika. Of in Porto Alegre in Brazilië, waar sinds 1990 anderhalf miljoen mensen een nieuwe vorm van democratie voeren door gezamenlijk bestuur, waarbij inwoners met elkaar beslissen waaraan publiek geld wordt besteed.

Westerse landen of organisaties zouden meer oog mogen moeten hebben voor lokale systemen. Dus niet alleen parlementaire democratie zoals de onze ondersteunen, maar ook traditionele, tribale vormen van besluitvorming en overleg. In Tunesië, het enige land waar de Arabische Lente min of meer succesvol was, omdat het land niet in chaos verviel en er vreedzame verkiezingen zijn gehouden, sloot die gecombineerde benadering goed aan bij het gevoel van vertegenwoordiging van veel mensen. Maar de strijd om democratie is universeel en het resultaat is overdonderend. Onze leden hebben partners in Libië, Egypte, Tunesië en Jemen die in de strijd voor meer democratie vreselijk hebben geleden, mensen hebben verloren. Mensen die ik ken zijn vermoord. En toch zeggen ze allemaal: het was en is de moeite waard. De leden van WO=MEN zetten zich ook in conflictgebieden in voor een sterke countervailing power.’

 2) Is het belangrijk dat ‘het Westen’ blijft investeren in steun aan opkomende democratieën?

 

Dit is een ingekorte versie van een artikel dat verscheen in de special over democratie die Vice Versa in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Meerpartijen Democratie maakte. Verder lezen? Kijk hier of neem een abonnement op Vice Versa en krijg dit nummer nagestuurd!

Auteur
Seada Nourhussen

Datum:
17 december 2014
Categorieën: