Boeiend debat tussen Boekestijn, Elsen en Aworti

Naar aanleiding van het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over zestig jaar Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, organiseerde het Institute of Social Studies in Den Haag een debat met de titel ‘Taking nobel prize winners seriously; what are the implications of a closed access society for the way we have to organize aid?’ Arend Jan Boekestijn (voormalig VVD kamerlid), Dirk Elsen (directeur SNV) en  Nicholas Awortwi (wetenschappelijk hoofdmedewerker ISS) gingen het debat met elkaar aan onder leiding van Louk de la Rive Box (rector ISS).

Arend Jan Boekestijn is een bescheiden man. ‘Ik ben een intellectueel, geen expert.’ Toch is hij ‘gefascineerd’ door ontwikkelingssamenwerking. Toen hij in 2006 voor de VVD in de Tweede Kamer de portefeuille ontwikkelingssamenwerking kreeg, kwam hij er al snel achter dat er geen duidelijk antwoord was op de vraag hoe ontwikkelingssamenwerking economische groei kan bevorderen. Bovendien kwam hij er eveneens snel achter dat zijn macht in de oppositie beperkt was. Het moest dus anders. Om de boel eens ‘flink op te schudden’, begon hij met het schrijven van een boek. In december 2009 kwam dit boek uit met de titel De prijs van een slecht geweten. Waarom hulp in haar huidige vorm niet werkt. Zijn betoog zal gebaseerd zijn op dit boek, dat volgens Boekestijn niet heel veel anders is dan het WRR rapport. In het debat over het WRR rapport wordt er echter te weinig aandacht geschonken aan het feit dat de ontwikkelingssector in crisis is. ‘Als we niet hervormen, verliezen we.’

Waarom hulp niet werkt

Zoals al uit de titel van zijn boek valt op te maken, vindt Boekestijn dat ontwikkelingshulp in haar huidige vorm niet werkt. Zowel de ontvangende landen als Afrikaanse leiders falen. Bovendien is de relatie tussen ontwikkelingshulp en ontwikkeling heel onduidelijk. In zijn zoektocht naar argumenten waarom hulp niet werkt, vindt hij argumenten als kapitalisme, kolonialisme, moral hazard (het verschijnsel dat mensen zich onverantwoordelijk gaan gedragen als ze weten dat de schade die ze aanrichten toch wel zal worden vergoed door derden), het ontbreken van democratie en de Dutch disease niet overtuigend genoeg. Hij komt terecht bij het werk van Douglas C. North, die in 1993 de Nobelprijs voor de Economie won. North stelt dat er drie categorieën samenlevingen zijn: een primitieve samenleving, een gesloten samenleving en een open samenleving.

Een gesloten samenleving is vervolgens te onderscheiden in een fragiele, elementaire en volwassen gesloten samenleving. De manier waarop een samenleving is georganiseerd kan ontwikkeling belemmeren. Institutionele verandering kan daarom alleen slagen als er rekening wordt gehouden met de drijfveren en beperkingen van de mensen die aan de macht zijn. Zo kan een fragiele gesloten samenleving nauwelijks stand houden als er intern of extern geweld uitbreekt. In een volwassen gesloten samenleving daarentegen kunnen politieke instituties veranderingen aan en zijn private organisaties volgens Boekestijn de ‘motor voor ontwikkeling’. Boekestijn stelt vast dat Afrikaanse staten willen overleven; de elite is dan ook meer bezig met geweldsbeheersing dan met de ontwikkeling van het land zelf. Dit verklaart de hardnekkigheid van armoede. Als westerse landen elementen uit een open samenleving willen ‘exporteren’ naar gesloten samenlevingen, werkt de hulp dus niet.

Hoe dan wel?

Naar aanleiding van de theorie van North komt Boekestijn met een aantal aanbevelingen voor ontwikkelingssamenwerking. Ondanks dat er in het boek dertig worden genoemd, beperkt Boekestijn zich tot een aantal, zoals: creëer een onafhankelijke evaluatiedienst die alle activiteiten kan doorlichten, werk alleen mee aan schuldenverlichting als er bewijs is van goed beleid en economische prestaties, schakel van hulp over naar investeringen, focus op echt duurzame ontwikkeling, stop met de kritische dialoog met ‘dubieuze regimes’, blijf streven naar een hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie en denk na over de oprichting van NLAid. Verder vindt Boekestijn dat het geen zin heeft om het maatschappelijk middenveld te ondersteunen in gesloten samenlevingen, omdat deze nauwelijks van betekenis zijn. Het is de private sector die kan bijdragen aan een vermeerdering van elites en de opkomst van een middenklasse. Ten slotte is het stimuleren van goed bestuur ‘misschien mogelijk’ in landen die aan de drempelvoorwaarden voldoen, zoals Ghana en Botswana.

Universeel?

‘Als mensen kritiek geven op ontwikkelingshulp, dan is het tegenargument altijd dat elke context anders is’, zegt Boekestijn tijdens het debat. ‘Ik geloof echter dat de formatie van een staat universele aspecten heeft. De Europese geschiedenis kan ons dan ook veel leren, maar maakt mij niet optimistisch.’ Deze woorden zijn voor een historicus niet vreemd. Er wordt echter fel gereageerd als Boekestijn zegt: ‘Misschien moeten we ons niet concentreren op het voorkomen van oorlogen. Oorlog creëert namelijk ook staten en kan groepen mensen mobiliseren. Laat ze het zelf proberen.’

Awortwi vindt dit een ‘absurde academische analyse’. ‘Juist het Westen moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Er zijn zoveel belangen gemoeid met ontwikkelingssamenwerking, je kunt het probleem van geweldsbeheersing niet gebruiken om uit te leggen dat hulp niet werkt. Ook de private sector heeft zo zijn eigen belangen. En wat te denken van de expats die in four-wheel drives in grote huizen wonen? Zijn dit de mensen die het Zuiden nodig heeft?’ Ook constateert Awortwi dat zeventig procent van elke dollar ontwikkelingshulp weer terugvloeit naar het Westen. ‘Verwacht niet dat hulp effectief is, als het in je eigen belang is.’

‘Boekestijn mist de balans’

Ook Dirk Elsen is het oneens met Boekestijn. Ondanks dat Boekestijn niet geliefd is binnen de ontwikkelingssector, heeft hij geprobeerd om ‘in het hoofd van Boekestijn te kruipen’. Na het lezen van het boek was hij zelfs verbaasd: ‘Boekestijn wordt onterecht gedemoniseerd.’ Toch gaat Boekestijn in zijn argumentatie de mist in. Zo vindt Elsen het tactisch niet slim dat er geen één goed woord wordt gesproken over ngo’s. ‘Dit ondermijnt zijn argument.’ Ook mist Elsen de balans. ‘Er wordt te veel nadruk gelegd op de private sector. Ik ben het eens dat verandering van binnenuit moet komen en dat we ons moeten heroriënteren op productieve sectoren. Maar dit moet wel in balans zijn met sociale sectoren.’

Boekestijn gaat ook niet in op mondiale thema’s, stelt Elsen. “Ontwikkelingssamenwerking moet uit de schulp kruipen en integreren met bredere issues. De oprichting van NLAid is daarvoor ook geen oplossing, omdat dit alleen maar een extra schil creëert.’ Ten slotte vindt Elsen dat het maatschappelijk middenveld te gemakkelijk wordt afgeschreven. ‘De realiteit is pluralistisch en heeft verschillende gezichten. Het plaatsen van samenlevingen in hokjes helpt ons daarbij niet verder.’

Awortwi is van mening dat Boekestijn te veel nadruk legt op het Grote Meren Gebied en Tsjaad. De landen die het goed doen worden niet genoemd. Bovendien worden ook de gevolgen van het kolonialisme onderbelicht. Awortwi vindt dat er meer aandacht moet komen voor het belang van hoger onderwijs in ontwikkelingslanden. De focus ligt nu vooral op het basisonderwijs. Juist dit houdt de economische groei laag. Boekestijn is het eens met de opvatting dat er een balans nodig is tussen de productieve en sociale sector.

Ondanks dat de meningen van Awortwi, Elsen en Boekestijn uiteenlopen, sluit Boekestijn het debat bescheiden af: ‘I’m only a stupid guy.’.

Meer aanbevelingen van Arend Jan Boekestijn zijn te lezen in het boek ‘De prijs van een slecht geweten. Waarom hulp in haar huidige vorm niet werkt’, Aspekt, 2010. Ook op de website van SNV is een verslag te lezen over het debat

Auteur
Ilse Zeemeijer

Datum:
29 maart 2010
Categorieën: