Waarom ondernemer zijn gelijk staat aan mislukking

INTERVIEW – Ondernemerschap als ontwikkelingsstrategie is niet altijd het ei van Columbus. Ook al willen ontwikkelingswerkers dat nog zo graag geloven. Merel van ’t Wout ondervond dit tijdens haar MA scriptie onderzoek in Noord-Ghana. Ze ontving de Africa Thesis Award voor haar uitmuntende ‘Entrepreneurs by the Grace of God: Life and Work of Seamstresses in Bolgatanga, Ghana’ in 2015. ‘Waarom verwachten wij van de allerarmsten dat uitgerekend zij de tijd, energie, mentale ruimte kunnen vrijmaken om een ‘onderneming’ te runnen?’

Je ging meerdere malen naar Bolgatanga in Noord-Ghana om onderzoek te doen naar de bedrijfjes van jonge naaisters, en naar ngo-programma’s in die regio die deze vrouwen proberen te helpen hun bedrijfjes te laten slagen. Wat trof je het meest?

‘Ik was het meest geïntrigeerd door de grote discrepantie tussen enerzijds de theorieën over ondernemerschap en de aannames van de ngo’s en anderzijds de dagelijkse realiteit van de vrouwen. Het woord ‘ondernemerschap’ heeft een hele positieve connotatie, en het trainen van ondernemers klinkt erg plausibel, maar er wordt door ngo’s en beleidsmakers te weinig nagedacht over wat het eigenlijk betekent en wat het beste werkt voor hun doelgroep. Het wordt nu ingezet alsof mensen zelf de sleutel in handen hebben voor de oplossing van hun armoede, en dat hun eigen succes maakbaar is. En dat is in werkelijkheid niet zo simpel.

Bovendien wordt er niet goed genoeg nagedacht over wat het begrip ‘ondernemerschap’ precies inhoudt, en of het daadwerkelijk leidt tot gendergelijkheid, het verminderen van armoede, het vergroten van zelfvertrouwen en het verbeteren en vergroten van de (nationale) economie – allemaal gevolgen die in academische kringen worden besproken en door ngo’s worden verwacht. In Bolgatanga in Ghana waren de naaisters in ieder geval niet beter af door hun deelname aan die programma’s. Sterker nog, ze voelden zich onbegrepen en raakten nog verder in de put in plaats van dat de ondernemerschapstraining ze in staat stelden in hun levensonderhoud te voorzien.

Ik pleit er dan ook voor om de behoeften van doelgroep centraal te stellen in plaats van een programma te ontwikkelen op basis van onze toch vrij abstracte ideeën over hoe iets zou moeten werken. Daarnaast moeten we onszelf de vragen blijven stellen: in hoeverre kunnen we verwachten dat juist de allerarmsten zichzelf uit de armoede helpen wanneer er zoveel structurele socio-economische en culturele barrières worden opgeworpen? Waarom blijven we vasthouden aan deze toch vrij specifieke vorm van ontwikkelingshulp?’

De vrouwen zijn door noodzaak gedreven om ‘ondernemer’ te worden, schrijf je. Is het dan niet geweldig dat er programma’s zijn die de vrouwen de vaardigheden leren om hun ondernemingen beter op te zetten en te ontwikkelen?

‘Het is vooral belangrijk om goed te blijven kijken naar wat een doelgroep nodig heeft. Vrouwen zoals de naaisters in Bolgatanga staan onderaan de maatschappelijke ladder. Deze vrouwen hebben nooit onderneemster willen worden. Zij zien het hebben van een eigen bedrijfje zelfs als een persoonlijk falen. Immers, hun wens om een opleiding te volgen en kans te maken op een betaalde baan hebben zij niet kunnen verwezenlijken. Bij veel vrouwen heeft dit er diep ingehakt. Het weinige geld dat de vrouwen verdienen wordt besteed aan schoolgeld voor hun kinderen, zodat zij hopelijk kunnen ontsnappen aan een leven waarin zij – net als hun moeders – gedwongen worden een eigen bedrijfje op te zetten. Dit beeld staat haaks op het beeld dat veel ngo’s hebben van ondernemerschap, namelijk als iets om trots op te zijn en waar men in kan groeien.

Armoede de wereld uit helpen door mensen vaardigheden bij te brengen om voor zichzelf te zorgen klinkt als een aantrekkelijk idee. In de praktijk zijn er echter zo veel obstakels. Momenteel wordt er onvoldoende gekeken naar de socio-economische context waarin deze bedrijfjes proberen te overleven. Deze vrouwen in Ghana hebben hun handen vol aan taken in en om het huis, zorg voor de kinderen, werk op het land. Het runnen van een bedrijfje wordt door de vrouwen, en hun omgeving, gezien als een secundaire activiteit. Wanneer je dit koppelt aan gevoelens van teleurstelling, onmacht, een vaak laag zelfbeeld, en de hiërarchische verhoudingen en patriarchale structuren in de Ghanese maatschappij, dringt de vraag zich op of er geen geschiktere manieren zijn om deze vrouwen te ondersteunen.’

Je roept op tot het contextualiseren van begrippen als ondernemerschap: niets werkt overal hetzelfde en we moeten ons bewust zijn van onze aannames. Maar jij baseert je conclusies over de toepassing van female entrepreneurship als een ontwikkelingsstrategie op één case study. Is het in dit geval niet gewoon een slecht uitgevoerd programma?

‘Goede vraag. In mijn onderzoek kijk ik juist naar het grotere debat, en niet alleen naar hoe ondernemerschapstrainingen in Ghana uitgevoerd worden. Ik ben geïntrigeerd door de vraag hoe wij – politici, beleidsmakers, academici en ngo’s – denken over ondernemerschap als oplossing voor armoedeproblematiek en hoe dit gedachtegoed is terug te vinden in concreet beleid in ontwikkelingslanden.

Al een tijd lang wordt ondernemerschap als een aantrekkelijke vorm van ontwikkelingshulp naar voren geschoven. In de afgelopen vier jaar heb ik talloze gesprekken gehad met mensen die werkzaam zijn in deze sector, op veel verschillende plekken in de wereld. In deze gesprekken kwamen keer op keer dezelfde vooronderstellingen en verwachtingen terug. Dit ging, onder andere, over de manier waarop het stimuleren van ondernemerschap een antwoord zou moeten bieden op de (jeugd)werkloosheid. Veel van deze gesprekken, evaluaties, en wetenschappelijk onderzoek laten zien dat er grote problemen bestaan met het aanbieden van ondernemerschapsprogramma’s. Vaak is men is teleurgesteld en vraagt zich af hoe programma’s verbeterd kunnen worden. Ik beargumenteer dat tegenvallende resultaten niet alleen aan de implementatie van de ondernemerschapstrainingen ligt, maar aan het grotere gedachtegoed hier achter.

Vanuit een antropologisch perspectief keek ik dus naar de wisselwerking tussen kwetsbare vrouwen uit de armste laag van de bevolking in Bolgatanga en de ngo die vanuit dit bredere gedachtegoed hen ondernemerschapsvaardigheden wil bijbrengen. De botsing die hier uit voorkomt – en die ik beschrijf in mijn thesis – laat zien dat het niet de uitvoering betreft, maar de vooronderstellingen en verwachtingen die hieraan ten grondslag liggen.’

Hoe zouden we wél moeten omgaan met het gebruik van ondernemerschap als ontwikkelingsstrategie?

‘In mijn thesis roep ik op tot reflectie. Het is een relatief nieuw idee dat succesvol ondernemerschap weggelegd is voor iedereen die zich op de arbeidsmarkt bevindt. Ik stel vraagtekens bij het automatisch classificeren van mensen die een micro bedrijfje runnen in de informele economie tot ‘ondernemers’. Vooral wanneer er relatief grote verwachtingen zijn over het welslagen van deze bedrijfjes. Het stimuleren van ondernemerschap wordt namelijk gekoppeld aan het uitbannen van armoede, het verbeteren van de positie van de vrouw, het creëren van werkgelegenheid en economische groei. Dat is nogal wat. Wanneer er niet specifiek wordt nagedacht over wat ondernemerschap inhoudt, en wanneer er geloofd wordt dat iedereen die maar gemotiveerd genoeg is een succes kan maken van zijn of haar bedrijfje, wordt het falen van deze bedrijfjes vaak gezien als een falen van de ondernemer in kwestie. Armoede is echter geen individueel probleem, en kan ook niet enkel op individueel niveau aangepakt worden. In mijn optiek ligt het probleem juist bij de overspannen verwachtingen en aannames rondom de mogelijkheden van deze bedrijfjes. Zeker wanneer we denkbeelden over groeiend ondernemerschap toepassen op de armste sociale klassen binnen een samenleving.

Waarom verwachten wij van groepen die zich in zo’n uitermate kwetsbare en precaire positie bevinden, dat uitgerekend zij de tijd, energie, mentale ruimte kunnen vrijmaken om in hun bedrijfje te steken? Er wordt gedacht dat juist de armste mensen de meeste urgentie hebben om een bedrijfje te laten slagen. In de praktijk zie je echter vaak dat andere factoren de tijd en energie opslurpen. Bij de vrouwen in Bolgatanga is dat de dagelijkse zoektocht om in de meest basale levensbehoeften te voorzien: eten, schoolgeld, sandalen, medicijnen. Deze vrouwen snakken, net zoals zoveel anderen, naar een stabiel inkomen en de relatieve veiligheid die een baan in loondienst kunnen bieden. Veel vrouwen gaven aan veel liever schoonmaakster te zijn dan ‘ondernemer’.

De fixatie op vrij abstracte, theoretische principes over hoe ondernemerschap een oplossing kan bieden voor armoede is een sterk contrast met de manier waarop deze naaisters hun positie zien. Het is vooral belangrijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen het hebben van een eigen bedrijfje, en het specifieke type van ondernemerschap dat de motor is achter economische groei. Laten we vooral niet te snel aannemen dat het runnen van een bedrijfje betekent dat men aspiraties heeft om ondernemer te zijn, of dat het niet slagen van een bedrijfje slechts het gevolg is van een gebrek aan ondernemerschapskwaliteiten.’

Waarom voegde je ‘by the grace of God’ toe aan je titel terwijl dit niet per se een prominente plek inneemt in je conclusies?

‘ ‘By the grace of God’ is een gevleugelde uitspraak in Ghana. Het verwijst naar omstandigheden waar mensen het gevoel hebben zelf weinig invloed op uit te kunnen oefenen. In de titel van mijn thesis verwijst deze uitspraak naar de aspiraties van de naaisters in Bolgatanga. Zij hoopten ‘by the grace of God’ met hun naaiactiviteiten een aanvulling te kunnen geven op het huishoudgeld en hun kinderen naar school te kunnen sturen. Naaister zijn – en het hebben van een eigen bedrijfje – was voor deze jonge vrouwen een laatste strohalm. Naaisters in Ghana staan laag in de sociale hiërarchie. Deze vrouwen vergeleken hun situatie met die van een bedelaar. Klanten behandelen hen slecht en geven over het algemeen niet de vergoeding die zij horen te ontvangen voor hun werk. In de ogen van deze vrouwen zou hier tegen in gaan de situatie alleen maar verslechteren. Een zekere acceptatie werd als een meer bruikbare overlevingstechniek gezien. Zelf geloofden deze vrouwen bijna niet zij het slagen van hun bedrijfje in hun eigen handen lag. Zij stelden hun vertrouwen op ‘God’s grace’ om hen in staat te stellen om hun kinderen dit lot te kunnen besparen.

Wanneer je deze gevoelens en overtuigingen vergelijkt met het beeld dat wij over het algemeen van een ‘ondernemer’ hebben – assertief, besluitvaardig – wordt de discrepantie pijnlijk duidelijk. De vraag die opkomt is in hoeverre ondernemerschap is aan te leren. De meningen zijn hier over verdeeld. Natuurlijk kunnen bepaalde ‘best practices’ rondom verkoop, boekhouden, administratie en marketing worden getraind. De vraag is of juist of de magie van ondernemerschap, het creatieve en innovatieve aspect, werkelijk aan te leren is. Hoe dan ook; wat er vaak niet gerealiseerd wordt, is dat de structuren waarin bedrijfjes opereren, niet altijd makkelijk te veranderen zijn, zeker niet door groepen die weinig in te brengen hebben in de samenleving. Daar zijn grotere sociale veranderingen en bewegingen voor nodig.’

Je bent nu bezig met een PhD onderzoek in Ghana. Waar gaat dit over?

‘In maart 2015 ben ik met een nieuw onderzoek gestart. Het gaat over jongeren in Ghana die zich bezig houden met internet-fraude. Ik kijk naar sociale veranderingen in een grote stad door de ogen van deze jongeren. Hoe positioneren deze jongens zichzelf? Waar voelen zij zich thuis? Hoe denken zij over de richting die Ghana opgaat? In hoeverre voelen zij de behoefte om zich in te zetten voor hun directe omgeving? Hoe beleven deze jongens de veranderende waardepatronen in de Ghanese samenleving en op welke manier dragen zij hier zelf aan bij? Ik link hierbij aan debatten rondom werkloosheid, toekomstperspectief, globalisering en migratie.’

Merel van ’t Wout studeerde in 2014 cum laude af aan de Universiteit van Groningen. Ze schreef voor haar onderzoeksmaster Modern History and International Relations een scriptie op basis van meerdere bezoeken aan Noord-Ghana. Nu is ze bezig met haar PhD onderzoek voor het African Studies Centre Leiden.

Auteur
Merel Berkelmans

Datum:
28 januari 2016