Vrijdagmiddagborrel: Tegenspraak

Nederland ondersteunt via de Strategische Partnerschappen van minister Ploumen het organiseren van tegenspraak  in ontwikkelingslanden. Hoe goed kunnen we zelf eigenlijk met tegenspraak omgaan? Hoe zou de Nederlandse politiek het vinden als bijvoorbeeld een nieuwe donor als Turkije een dergelijk programma in Nederland opzet en onze maatschappelijke organisaties gaat helpen om de tegenspraak in onze samenleving vorm te geven?

Op donderdag 18 februari gaan we samen met het Nederlands Instituut voor Meerpartijendemocratie (NIMD) een verkiezingsavond organiseren over Oeganda.  Die dag zijn de presidentsverkiezingen in het land dat door Winston Churchill ooit de Parel van Afrika werd genoemd, maar veel mensen vooral kennen door de film The last king of Scotland over dictator Idi Amin die er tussen 1971 en 1979 hardhandig de scepter zwaaide.

Hechte relatie

Nederland en Oeganda hebben sinds de machtsovername van de huidige president Yoweri Museveni in 1986 een hechte relatie. Oeganda is al meer dan twintig jaar een van onze darlings als het gaat om ontwikkelingssamenwerking.  Verder wemelt het er van de jonge Nederlanders die er vrijwilligerswerk of hun stage doen, doet ons bedrijfsleven er in toenemende mate zaken en is Oeganda een hotspot van het zogeheten ‘PI’, -Nederlandse burgers die met hun eigen stichting kleine ontwikkelingsprojecten opzetten.

Ook zijn maar liefst 18 van de 25 Strategische Partnerschappen tussen Nederlandse ontwikkelingsorganisaties en minister Ploumen actief op Oegandees grondgebied, variërend van Hivos tot OxfamNovib en van  UTZ tot de IUCN.  Ook de NIMD, met wie we de verkiezingsavond organiseren, heeft samen met AWEPA en minister Ploumen een partnerschap voor het creëren van een gezond politiek klimaat in Oeganda, waarin politieke partijen actief kunnen lobbyen voor een rechtvaardige samenleving.  Binnen het partnerschap wordt eveneens de politieke dialoog in Oeganda gestimuleerd en gewerkt aan electorale hervormingen.

Keihard weggesaneerd

Nog even een geheugensteuntje: deze Strategische Partnerschappen zijn los van een paar thematische budgetlijnen rondom de eigen beleidsprioriteiten van de minister (zoals FLOW om kansen voor vrouwen te vergroten en LEAD om de grondoorzaken van migratie te bestrijden) de laatste resten die nog zijn overgebleven van de roemruchte geschiedenis van Nederland op het gebied van ondersteuning door de overheid van onze ontwikkelingsorganisaties. Vrijwel al het overige is door minister Ploumen keihard weggesaneerd.

Met de Strategische Partnerschappen gaat de minister samen met Nederlandse ontwikkelingsorganisaties lokale ngo’s  helpen met het organiseren van tegenspraak in hun land, ofwel met lobby and advocacy. Volgens Ploumen zijn er voldoende andere internationale donoren en filantropen die de financiering van het projectenwerk van Nederlandse ontwikkelingsorganisaties kunnen overnemen van haar, maar zijn er amper gegadigden die het politiek gevoelige lobby and advocacy werk steunen. Vandaar haar keuze om met een sterk afnemend budget alleen nog maar deze tak van sport overeind te houden.

Op gespannen voet staan

Los van de bezuinigingen waar ik heel kritisch over ben, vind ik het idee achter de Strategische Partnerschappen  interessant en ook spannend. Het organiseren van tegenspraak in een maatschappij gaat namelijk tot de kern van ontwikkelingsprocessen. Armoedebestrijding is nu eenmaal politiek.

Ook journalistiek is het een spannend onderwerp, omdat er nogal wat tegenstrijdige belangen in het programma zitten. Niet alle Nederlandse ambassades zijn er bijvoorbeeld blij mee, omdat de partnerschappen op gespannen voet kunnen staan met de promotie van het Nederlandse bedrijfsleven. Ik heb dat zelf vorig jaar gezien in Nicaragua waar minister Ploumen een Strategisch Partnerschap is aangegaan met organisaties die strijden tegen de aanleg van een groot Kanaal dat desastreuze gevolgen heeft voor mens en natuur in een groot gebied van Nicaragua. Dit terwijl de Nederlandse ambassadeur in Costa Rica (die ook Nicaragua in haar portefeuille heeft) juist erg haar best doet om opdrachten voor het Nederlandse bedrijfsleven binnen te slepen om te helpen bij de aanleg van dat kanaal.  Hierin zie je ook meteen het spanningsveld dat bijna ingebakken lijkt in de samenvoeging van ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel.

Lange tenen

Ik probeerde me deze week ook even in te leven in Alphons Hennekens, de Nederlandse ambassadeur in Oeganda. Die heeft vanaf 1 januari 2016 opeens met 18 Strategische Partnerschappen te maken op het territorium waar hij de belangen van Nederland dient te behartigen. Hennekens moet nu tegen president Museveni zeggen: ‘Geachte meneer de president. Wij gaan 18 Nederlandse organisaties en hun lokale partners in Oeganda helpen met het organiseren van de tegenspraak in uw land.’

En dat bij een president die al 30 jaar aan de macht is, bekend staat om zijn lange tenen, die de wetten in zijn land herhaaldelijk heeft aangepast om langer aan de macht te kunnen blijven, en die tijdens de Arabische Lente luid en duidelijk verkondigde dat zo’n volksopstand in zijn land nooit zou plaatsvinden omdat hij ieder protest met keihard geweld zou neerslaan.

Arme ambassadeur Hennekens.

Onze eigen zaak

Eigenlijk vind ik het best bijzonder dat het Oegandese parlement nog niet ingegrepen heeft en stelt: ‘Beste vrienden uit Nederland. Prima dat jullie projecten ondersteunen om de armoede te bestrijden en aan capaciteitsopbouw en kennisoverdracht doen, maar met die tegenspraak in ons land hebben jullie niks te maken. Dat is onze eigen zaak.’

Bovendien durf ik te voorspellen dat het Nederlandse parlement dit namelijk wél zou hebben gedaan. Sterker nog: dat hébben ze al een keer gedaan.

In 1992 sloot Nederland duurzame ontwikkelingsverdragen met Benin, Bhutan en Costa Rica. Hierin stond het principe van wederkerigheid centraal en spraken de landen af dat ze elkaar konden aanspreken op het terrein van duurzaamheid. Deze duurzaamheidsverdragen kwamen  in Nederland onder druk te staan toen vertegenwoordigers uit Bhutan en Costa Rica een bezoek brachten aan de Waddeneilanden en daarbij forse kritiek uitten op de manier waarop Nederland met zijn natuurlijke hulpbronnen omging. Onze Tweede Kamer was niet gediend van deze kritiek, waarop toenmalig minister Jan Pronk zei dat we wel moeten bedenken dat ze in Costa Rica en Bhutan ook niet blij zijn als wij ons bemoeien met de manier waarop zij met hun natuurlijke hulpbronnen omgaan.

Een groter probleem ontstond toen vanuit Bhutan de waarschuwing kwam aan de provincie Zeeland dat men de Zeeuwse dorsvlegel niet moest laten uitsterven. Bhutan gaf zelfs een financiële gift aan de provincie Zeeland om deze dorsvlegel te beschermen. Nederland was not amused.  Maar de maat voor de Nederlandse politiek was pas echt vol toen milieugroepen uit Costa Rica betrokken werden bij campagnes tegen de uitbreiding van Schiphol. Het viel allemaal totaal verkeerd in de Tweede Kamer en minister Pronk werd gedwongen om die wederkerigheid uit het verdrag te halen. En let wel: dit was nog in een periode ver voordat de PVV haar opwachting maakte in de Nederlandse politiek.

Voortaan moesten onze zuidelijke partners hun kop houden over ons beleid. Maar waarom gaan we er dan automatisch vanuit dat ze dat in Oeganda en in andere landen waar de partnerschappen actief zijn van ons wél zullen accepteren?

Nieuwe spelers

De mondiale samenwerking verandert. Er komen nieuwe spelers bij zoals bedrijfsleven, filantropen en nieuwe donoren. Ik zou het wel een interessante gedachte vinden als een van de nieuwe donoren een programma zoals de Strategische Partnerschappen zou opzetten in Nederland.

Laten we als voorbeeld even Turkije nemen, een snel opkomende donor die steeds prominenter actief is op Afrikaanse bodem en ook politiek een steeds belangrijkere rol speelt in de wereld vanwege haar rol in de migratiecrisis.  Stel je nu eens voor dat Turkije Nederlandse maatschappelijke organisaties gaat trainen in het organiseren van de tegenspraak in ons land; trainen om tegen de afbraakpolitiek van dit kabinet  als het gaat om belangrijke mondiale thema’s te protesteren.

Of dat Turkije Nederlandse ngo’s gaat helpen om weer ngo te worden, met de nadruk op de N van Niet-Gouvernementeel. Want dat waren de meesten behoorlijk kwijtgeraakt omdat ze slaafs de subsidiestromen en beleidsprioriteiten van de overheid zijn gaan volgen.

Nepparlement

Of dat Turkije, zoals de NIMD dat in Oeganda doet, Nederlandse organisaties gaat ondersteunen die werken aan electorale hervormingen in ons land. Dit idee zal zeker Geert Wilders moeten aanspreken omdat we volgens hem een ‘nepparlement’  hebben in Nederland.

Of dat Turkije Nederlandse ngo’s gaat leren dat ze best wat assertiever mogen zijn tegen filantropen als Bill Gates; dat je misschien beter even goed kunt nadenken of het aannemen van zijn geld wel past bij de missie van je organisatie. Want hoe is Gates ook alweer zo rijk geworden? In ieder geval niet met maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Hulde

Ik vind het principe van en de filosofie achter een programma als dat van de Strategische Partnerschappen uitstekend en het organiseren van tegenmacht een essentieel onderdeel  binnen ontwikkelingsprocessen. Mits die wederkerigheid er maar in zit en wij er zelf ook voor open staan op eigen grondgebied. Of deze gedachte ook haalbaar is? Ik ben bang van niet. Zouden politici als Geert Wilders en Halbe Zijlstra het accepteren als er Turkse ontwikkelingshulp aan Nederland wordt gegeven om hier de tegenspraak te organiseren? Echt niet.

Hulde aan het parlement van Oeganda  en de parlementen in al die andere landen waar de Nederlandse Strategische Partnerschappen actief zijn. Van hun ruimdenkende houding kunnen onze politici nog het nodige leren.

 

Auteur
Marc Broere

Datum:
15 januari 2016
Categorieën: