De zin en onzin van de ‘theory of change’

COLUMN – Net als het logframe blijkt de theory of change vaak niet meer dan een vereiste voor financiering, in plaats van een proces van reflecteren en bijstellen.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de theory of change omarmd als vervanging van het logical framework ofwel logframe. Het instrument staat ook centraal in de samenwerking tussen het ministerie en zijn strategische partners. De meningen over de twee instrumenten lopen uiteen. Kort gezegd zit het verschil in de manier waarop de weg naar het einddoel wordt beschreven: een driedimensionaal landschap versus een lineaire weg. Waar een logframe vooraf resultaten en indicatoren voor jaren lang vastlegt, laat de theory of change ruimte voor aanpassingen onderweg.

Wat motiveert het ministerie om voor de veranderingstheorie te kiezen? Tijdens een speciale conferentie hierover begin maart zei Reina Buijs, plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking: ‘We willen meer kunnen experimenteren, meer openstaan en meer leren onderweg. Dat vereist lef en vertrouwen in elkaar als partners.’

Als consultant bij MDF werk ik steeds vaker met theories of change. Veel van onze klanten zijn overgestapt. Een interessante en gedurfde ontwikkeling. Toch blijkt de theory of change voor donoren vaak niet meer dan een vereist document voor financiering, in plaats van een proces van reflecteren en bijstellen op basis van geleerde lessen, nieuw onderzoek of invloedrijke gebeurtenissen. Zoals Buijs stelde, vereist dit proces van partners vertrouwen in elkaar. Daar ligt volgens mij een stevige uitdaging.

De theory of change is onderdeel van een selectieproces met enorme financiële belangen. Het voortbestaan van organisaties en tientallen banen staan op het spel. Kunnen we verwachten dat aanvragers volledig openheid geven in de onderbouwing van hun veranderingstheorie? Dat twijfels en vraagtekens over de strategie en binnen de samenwerking expliciet zijn benoemd? Is dat geen irreële verwachting?

Het is onwaarschijnlijk dat geselecteerde partners openlijk erkennen dat hun proces op punten enigszins geflatteerd is beschreven. Toch is openheid nodig om de ambities voor meer flexibiliteit niet in de kiem te smoren. Hoe kunnen we dit bewerkstelligen? Ik stel voor dat het ministerie partners uitnodigt voor een eerste gezamenlijke reflectie. Om samen na te denken over een paar ‘politiek gevoelige’ aspecten van de veranderingstheorie. Ik noem er drie, met een paar vragen:

1.De aannames en het perspectief

De aannames in een theory of change kunnen evidence-based zijn of – als kennis ontbreekt – gebaseerd op basis van inschattingen over hoe verandering zal plaatsvinden. Maar vanuit welk perspectief formuleren we deze aannames? We weten hoe groot cultuurverschillen kunnen zijn. Hebben de partners voldoende tijd genomen om stevig te debatteren over de theory of change? Zijn lokale mensen in voldoende mate geconsulteerd?

2. De machtsfactor en het individu
Om verandering echt goed te begrijpen moeten we macht herkennen. Voor elke <i>pro-poor<i> verandering is immers een machtsverschuiving nodig. ‘Wie heeft de macht?’ is een cruciale vraag. De analyses richten zich meestal op instituties, organisaties en groepen. We missen daarbij de macht van het individu. Of het nu gaat om een grote beslissing over de koers van een hervorming, of een kleine om mee te gaan met de hervorming, individuele beslissingen bepalen sterk het succes van een gewenste verandering. Weten de partners welke individuen macht hebben? Welke relaties ze onderhouden? Is er voldoende betrouwbare kennis uit lokale bronnen? Worden feiten goed onderscheiden van percepties?

3. De machtsfactor en de eigen organisatie
En hoe staat het met onze eigen rol? In onze sector lijken we een blinde vlek te hebben voor de invloed die we zelf hebben op het bereiken van het einddoel. We kennen de macht van leden in een alliantie, de rol van belangen van individuen en afdelingen, en de dilemma’s (bijvoorbeeld tussen lange- of kortetermijnresultaat) waar we voor staan. Toch zijn we zelf opvallend afwezig in de aannames van de theory of change. Welke expliciete aannames maken partners over hun eigen invloed op het veranderingsproces? Zijn ze reëel over hoe ze bijdragen aan het slagen of falen van veranderingen?

Het ministerie verwacht veel van de theory of change. De kwaliteit ervan woog zwaar bij de selectie van partners. Als we met z’n allen streven naar een modern, minder rigide en overtuigend instrument, dan is de theory of change een sterk model. Mits we het lef hebben om de politiek gevoelige elementen gedegen te analyseren. Mits we eerlijk zijn over individuele machtsverhoudingen. En mits we het aandurven echt te kijken naar de rol van onze eigen organisaties. Dan zijn zowel makers als beoordelaars van de theory of change op de goede weg. Geen kaarsrechte autoweg, maar ook geen utopisch pad naar het paradijs.

Ingrid Plag is managing partner van MDF Training & Consultancy

Auteur
Ingrid Plag

Datum:
07 juli 2015