Hart voor agrarisch beroepsonderwijs

In de vorige blog van MP Watch, de masterclass van Woord en Daad, is de problematiek rondom toegang tot krediet geschetst. Toegang tot financiering voor boerenondernemers in ontwikkelingslanden is en blijft een hordenloop, aldus Nelline Boers. Een ander probleem waar boerenondernemers tegenaan lopen is de beschikbaarheid en kwaliteit van vakonderwijs. Er zijn vaak weinig landbouwopleidingen en op de kwaliteit is van alles aan te merken. Voor landbouwonderwijs is nog steeds onvoldoende aandacht te bespeuren bij beleidsmakers. In deze blog laat Arco Vuik zijn licht schijnen op de Nederlandse inzet voor agrarisch beroepsonderwijs.

Veel boeren in ontwikkelingslanden hebben te kampen met factoren die hun bedrijfsvoering belemmeren. Ten eerste is er vaak een gebrek aan kennis en vaardigheden, dus aan onderwijs en training. Ten tweede hebben boeren onvoldoende toegang tot krediet. Ze kunnen niet of onvoldoende bij banken terecht om het broodnodige investeringskapitaal te verkrijgen. En ten derde, een gebrek aan toegang tot markten. Boeren hebben onvoldoende informatie over de kansen die ze op voedselmarkten hebben. Dat maakt  hun positie kwetsbaar. Deze drie elementen zijn cruciaal. Stel dat er voldoende kapitaal voor de landbouwsector aanwezig zou zijn, en nog goed toegankelijk ook, wat heb je daaraan als er geen goede landbouwopleidingen zijn, met aandacht voor de praktijk?

‘Students often only know the theory’

Tijdens onze MP Watch masterclass bezochten we Uganda, om te kijken in hoeverre boeren inderdaad toegang hebben tot financiering en tot markten, maar ook tot onderwijs en training. Vooral door de organisatie Excel Hort Consult werd de vinger gelegd bij de kwaliteit van het landbouwonderwijs in Uganda. Het landbouwonderwijs op de bekende Makerere University is teveel gericht op theorie en sluit daardoor onvoldoende aan op de praktijk. De opleiding bevat slechts één stage, en deze duurt drie maanden op een studie van vier jaar. Excel Hort pleit voor een betere opleiding en training voor boeren, desnoods buiten de universiteiten om. Universiteiten moeten in samenwerking met de overheid een verandering aanbrengen in de structuur van het onderwijsprogramma. Wellicht kan ook de private sector hierin iets betekenen.

Wij spraken ook met de decaan van het College of Agriculture van Makerere University. Zij benadrukte dat de overheid meer zou moeten investeren in landbouwonderwijs. Ze ontkende echter stellig dat er weinig mogelijkheden zouden zijn voor het opdoen van praktijkervaring. Vooralsnog hechten wij meer waarde aan het oordeel van Excel Hort, een organisatie die met de poten in de klei van het landbouwonderwijs staat, dan aan de PR van de logge Makerere University.

Met de neus op de feiten

In 2011 werd de Nederlandse overheid met de neus op de feiten gedrukt. Het ministerie van Buitenlandse Zaken liet een uitgebreid onderzoek doen naar de situatie van agrarisch onderwijs in ontwikkelingslanden. Deze helaas nooit gepubliceerde studie analyseert helder de belangrijkste knelpunten rond dit beroepsonderwijs, en doet aanbevelingen voor de rol die de Nederlandse overheid zou kunnen spelen.

Volgens de studie is AVET (Agricultural Vocational Education and Training, de Engelse benaming voor agrarisch beroepsonderwijs), de afgelopen decennia geen prioriteit in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid geweest. Als gevolg daarvan heeft het Nederlandse onderwijs relatief weinig ervaring met het ondersteunen van AVET in het Zuiden. Echter, Nederlandse kennis- en onderwijsinstellingen hebben gezamenlijk veel relevante, thematische expertise om AVET te ondersteunen voor zowel het levensonderhoud van kleine boeren als de ontwikkeling van de commerciële landbouw. Daar liggen dus zeker kansen. In lijn met haar beleidsdoelstellingen voor voedselzekerheid en de economische groei zou de Nederlandse overheid ook aandacht moeten besteden aan de ontwikkeling van AVET.

Andere prioriteiten in het Nederlands beleid

Het Nederlandse beleid heeft haar prioriteiten binnen het ontwikkelingsbeleid de afgelopen jaren verschoven. Deze verschuiving betekende onder meer dat Nederland een punt zette achter de steun aan onderwijs. In de beleidsnota ‘Wat de wereld verdient’ staat onder andere het volgende: ‘De budgetten op de doorsnijdende thema’s goed bestuur, milieu en onderwijs in lage- en middeninkomenslanden worden versneld afgebouwd. ’ Een reden die daarvoor genoemd wordt is dat het bereiken van het Millenniumdoel: ‘toegang tot water, sanitatie en basisonderwijs’ in zicht is. Op deze thematiek zou minder inzet nodig zijn. Vooral dankzij een duidelijk signaal vanuit de Kamer heeft de Minister besloten om toch nog wat steun aan beroepsonderwijs te blijven geven.

De overheid doet er echter goed aan om (agrarisch) beroepsonderwijs systematisch en blijvend te integreren in haar beleid voor voedselzekerheid en landbouw. Beroepsonderwijs is cruciaal om jongeren toe te rusten met de kennis en vaardigheden die zij nodig hebben om een succesvolle, ondernemende boer te worden.

De inzet van de Kamer

De boodschap vanuit de Tweede Kamer is de afgelopen jaren consequent geweest: wil je investeren in voedselzekerheid, dan moet agrarisch beroepsonderwijs daar een vast onderdeel van zijn. Denk bijvoorbeeld aan de motie van Mulder (CDA) en Van der Staaij (SGP)  uit 2014. In deze motie wordt aan de regering gevraagd om steun te geven aan overheden van partnerlanden om een serieus beleid voor agrarisch beroepsonderwijs op te zetten en uit te voeren. Nederland zou juist daarin een zinvolle rol kunnen spelen, door het delen van onze kennis en ervaring.

Uit het oog, uit het hart

De diverse Kamermoties over (agrarisch) beroepsonderwijs hebben jammer genoeg tot op heden maar een beperkt effect gehad. Minister Ploumen heeft een aantal keer wat kleine ‘toezeggingen’ gedaan aangaande (agrarisch) beroepsonderwijs. Zo zei ze in 2013 dat er binnen de speerpunten zeker aandacht is voor beroepsonderwijs, bijvoorbeeld binnen het NICHE-programma en het beurzenprogramma. De minister liet zich zelfs ontvallen dat haar hart ligt bij het lager beroepsonderwijs.

Desalniettemin blijft het van belang dat we scherp blijven observeren wat er van deze toezeggingen terecht komt. Geen woorden, maar daden. Niet hier en daar een project steunen, maar stelselmatig en strategisch inzetten op goed landbouwonderwijs. Zowel de praktische agrarische kennis, als de economische kennis om de producten aan de man te brengen. Als Nederland een coherent beleid wil voeren ter bevordering van de agrarische sector, zou ze óók volop in moeten zetten op agrarisch vakonderwijs. Hopelijk blijft de minister het agrarisch beroepsonderwijs in het oog houden, anders wordt het: ‘uit het oog, uit het hart.’

 

Auteur
Arco Vuik

Datum:
18 mei 2015
Categorieën: