Penen met twee benen, waar zit de fout?

In ontwikkelingslanden gaat veel voedsel verloren. MP Watch collega Nelline Boers stipte in haar blog van vorige week een aantal factoren aan die daarvan de oorzaak zijn. Denk aan slechte kwaliteit van infrastructuur en onvoldoende koel- en opslagfaciliteiten. Maar, wat minder mensen zich realiseren, is dat ook door onze eigen strenge eisen en regels aan geïmporteerd voedsel, er heel wat voedsel verloren gaat in ontwikkelingslanden. MP Watcher Arco Vuik gaat in deze blog in op de gevolgen, oorzaken en oplossingen van voedselverspilling door hoge kwaliteitseisen. 

Het probleem: verspilling door hoge eisen

Veel goed eten gaat verloren omdat het product te groot of te klein is, de kleur niet perfect is, of omdat de vorm gek is. Producten als ‘kromkommers’ en ‘penen met twee benen’ staan hiervoor symbool. Deze voedselproducten voldoen niet aan zogenoemde ‘standaarden’. Standaarden over hygiëne en voedselveiligheid zijn uiteraard nuttig en noodzakelijk. Maar hier gaat het om regels over het cosmetische aspect, het uiterlijk.

Deze eisen zorgen ervoor dat een deel van het voedsel downgraded of outgraded raakt, terwijl het nog prima eetbaar is. Downgrading van voedsel houdt in dat een product naar een lagere kwaliteitsklasse gedegradeerd wordt. Een gevolg daarvan is bijvoorbeeld dat groenten en fruit die er minder goed uitzien verwerkt worden in andere producten: gesneden groenten, puree of sappen. Outgrading gaat nog een stap verder: het product wordt uit de menselijke voedselketen gehaald. Het voedsel wordt dan gebruikt als veevoeder, compost of energieopwekking. Vooral bij downgrading kun je van volledige verspilling niet spreken, maar de boeren verdienen er wel minder aan. Sommige boeren in ontwikkelingslanden produceren bewust meer volume dan hun afnemers bestellen, omdat ze verwachten dat een deel van hun producten afgekeurd wordt. 

EU-regels

Maar liefst 5 tot 10% van het voedsel wordt verspild door de strenge eisen die verkopers en consumenten stellen aan het uiterlijk van het product. Tot 2009 was dit vooral aan EU-regels te wijten, maar sindsdien zijn deze wettelijke normen veel minder streng geworden. Toch bestaan er nog specifieke regels voor een tiental gewassen.

Deze overheidsregels, oftewel publieke standaarden, gelden voor wortel- en knolgewassen en fruit en groenten, waaronder kiwi’s, citrusvruchten, appels, tomaten en sla. Juist die gewassen samen maken 75% van de groente- en fruitverkoop uit! En een deel daarvan wordt geïmporteerd uit ontwikkelingslanden. Bovendien blijven veel bedrijven de normen hanteren of gebruiken ze eigen, strengere normen. Dit noemen we private standaarden.

Boontjes uit Kenia

Een veelgenoemd voorbeeld van deze problematiek is de verspilling van boontjes uit Afrika. Veel Europese supermarkten verkopen  bijvoorbeeld boontjes uit Kenia. Ze willen alleen topkwaliteit omdat het anders niet rendabel is om de boontjes helemaal per vliegtuig naar Europa te halen. Bij de sortering vóór de verpakking in Kenia wordt gemiddeld zo’n 30% van de boontjes afgekeurd omdat ze niet aan de normen voldoen.

De boer is de dupe: hij krijgt minder betaald door de verspilling.  Zijn land en water had de boer beter kunnen gebruiken voor andere gewassen. Een deel van de afgekeurde boontjes wordt aan varkens of vee gevoerd, maar een groot deel wordt gewoon weggegooid. Een lastige bijkomstigheid is dat er weinig alternatieve afzetmarkten zijn voor groenten die niet voldoen aan de cosmetische eisen. In Nairobi eten alleen de middenklasse en expats deze groene lekkernij.

De wortels van het probleem

Kortom, het strenge pakket van publieke en private standaarden is de oorzaak van veel voedselverspilling. Hierbij stuurt de vraag het aanbod. Om relevant te blijven moeten producenten voldoen aan de eisen van de markt. De concurrentie is fel. Als de producent aangeeft dat de standaarden onterecht zijn, gaan de importeurs naar een ander. Maar wat zijn de achterliggende redenen van deze hoge producteisen op het gebied van uiterlijk en uniformiteit?

Supermarkten wijzen vaak naar een ander als het gaat om de dieperliggende oorzaak van dit probleem: de wensen van de consument. Consumenten zijn gewend geraakt aan rechte komkommers en vlekvrije appels. Alleen op de markt worden nog producten met vlekjes verkocht. Volgens de Jumbo zijn haar eisen er dan ook op gericht de klant een uniform product aan te bieden, met een uniforme kooktijd, houdbaarheid en kwaliteit.

Een andere oorzaak van de hoge eisen aan de vorm van producten zijn transportkosten. Er passen nu eenmaal meer rechte dan kromme komkommers in een doos. De kosten voor het vervoer van kromme producten zijn dus hoger.

Importeurs wijzen er op dat ook veel mis gaat aan de productiekant. Incidenten zouden vaak plaats vinden bij bedrijven en boeren die hun zaakjes niet op orde hebben. Als een boer zich houdt aan geldende voorschriften, krijgt hij mooie rechte bonen, aldus een importeur. Maar als hij te weinig water geeft of te laat oogst, kan het zelfs zijn dat alles weggegooid moet worden.

Het probleem bij de wortel aanpakken 

Minister Ploumen benoemt in haar beleid mondiale voedselzekerheid als een speerpunt. Ze geeft ook aan dat productstandaarden kunnen fungeren als barrière voor producenten uit ontwikkelingslanden. Om het probleem van de onnodige voedselverspilling rondom cosmetische standaarden bij de kop te pakken, adviseer ik de minister de volgende suggesties op te nemen in haar beleid: 

  • Om te beginnen moet zowel bij consumenten en supermarkten bewustwording gecreëerd worden. De ChristenUnie pleit hier voor in een recente publicatie. Met voedsel met een vlekje is meestal niets mis. Dat kun je prima eten. Met financiële prikkels en slimme marketing kunnen supermarkten zulk voedsel echt wel aan de klant kwijt!
  • Vervolgens zouden supermarkten aangemoedigd moeten worden om hun opstelling concreet te wijzigen. De Franse supermarktketen Intermarché geeft hierbij het goede voorbeeld. De Franse retailer heeft de verkoop van ‘lelijke’ groenten en fruit getest. Ze werden, met succes, verkocht voor een lagere prijs. Ook supermarkten in Nederland zouden een speciale plek in de winkel kunnen maken voor lelijke groenten. Of ze kunnen groenten die minder mooi zijn aanbieden voor lagere prijzen. In Nederland bestaat er het goede voorbeeld van het initiatief ‘kromkommer’. Maar waar blijven Albert Heijn en Jumbo?
  • Tenslotte twee mogelijke oplossingen aan de kant van de producenten in ontwikkelingslanden, waarvoor de minister zich in haar beleid hard kan maken. Ten eerste is het van belang dat boeren in ontwikkelingslanden ondersteund worden en een goede training krijgen. Hierbij is wederzijds vertrouwen tussen de verschillende schakels in de productieketen van belang. Dit zorgt voor een betrouwbare aanlevering met een zo hoog mogelijke kwaliteit. Dan snijdt het mes aan twee kanten. Ten tweede zouden producenten op zoek kunnen gaan naar lokale afzet van hun producten. Dit kan zowel in andere delen van de wereld zijn, bijvoorbeeld het Midden-Oosten, waar de kwaliteitseisen lager zijn, als op de binnenlandse markt, waar ook behoefte is aan gezond voedsel.

 

Kortom, laten wij lekker gaan smullen van lelijke boontjes en kromme komkommers, dan gaat er in Afrika minder voedsel verloren. Daar zijn mensen in Afrika ook bij gebaat!

MP Watch is de masterclass van Woord en Daad. Vier maanden lang volgen vier masterstudenten de politiek op thema’s als beleidscoherentie, handel en voedselzekerheid.

Auteur
Arco Vuik

Datum:
19 maart 2015