Piketty en ongelijkheid in ontwikkelingslanden

Met zijn bestseller ‘Capital in the Twenty-First Century’ heeft Thomas Piketty in ieder geval één prestatie van formaat geleverd: het schrijven van een economisch boek dat zowel sexy genoeg is voor een show als De Wereld Draait Door als serieus wordt genomen in academische kringen. Vandaag komt de econoom naar Nederland om te spreken met Amsterdamse studenten, Haagse politici en bezoekers van poptempel Paradiso. Piketty beperkt zijn aandacht grotendeels tot de rijke landen, maar is zijn boodschap ook relevant voor ontwikkelingslanden en opkomende economieën? Een greep uit een aantal relevante commentaren en rapporten.

Piketty’s centrale stelling dat het kapitalisme een natuurlijke neiging heeft tot concentratie van rijkdom in de handen van een kleine groep superrijke kapitaalbezitters is in Europa en de VS bejubeld, aangevallen en weer verdedigd. Zijn inmiddels beroemde formule r>g is nu ook al als t-shirt verkrijgbaar. Hoe lang zal het duren voordat de Piketty-mania ook in ontwikkelingslanden en opkomende economieën losbarst? De meeste commentatoren lijken te denken dat Piketty’s formule in deze landen nog niet opgaat. Dat betekent niet dat zijn verhaal irrelevant is voor de discussie over ongelijkheid in ontwikkelingslanden. Hoogleraar Rolph van der Hoeven bijvoorbeeld heeft op deze website al eerder zijn visie gegeven op de betekenis van Piketty’s theorie voor ontwikkelingslanden.

Piketty waarschuwt dat als het rendement van kapitaal (r – winst op aandelen, bedrijfswinsten, huurinkomsten)  hoger is dan de economische groei (g), het aandeel van de beloning op kapitaal in het nationaal inkomen omhoog gaat. Omdat kapitaal meer geconcentreerd is en omdat r hoger is voor mensen met veel kapitaal dan voor mensen met weinig kapitaal, wordt de kloof tussen de rijken aan de ene kant en de arme en middenklasse steeds groter. In Europa en Noord-Amerika staan we op het punt om terug te keren naar de schrijnende ongelijkheid van de belle epoque in de 19e eeuw, toen een kleine elite van renteniers slapen rijk werd van investeringen in land en staatsobligaties terwijl de rest van de bevolking keihard moest werken om het hoofd boven water te houden. In Nederland valt de ongelijkheid overigens mee in vergelijking met ons omringende landen, aangezien een groot deel van ons vermogen wordt belegd door pensioenfondsen, wat de gemiddelde werknemer een behoorlijk rendement oplevert.

R>g is volgens Piketty niet de enige bron van toenemende ongelijkheid in de landen die hij onder de loep neemt. In de VS is het toenemende verschil in de beloning op arbeid in de afgelopen decennia de belangrijkste oorzaak van de stijgende ongelijkheid. Onder meer de geëxplodeerde compensatie van topmanagers heeft er voor gezorgd dat heet aandeel van de rijkste 1% in de VS is gegroeid van 9 procent in de jaren zeventig naar 20 procent in 2000-2010.

Kunnen ontwikkelingslanden Piketty’s val ontlopen of ontwikkelt het kapitalisme zich daar op dezelfde inegalitaire wijze als in de rijke landen?

Ongelijkheid in ontwikkelingslanden

Ontwikkelingslanden zijn sinds 2000 gemiddeld meer dan twee keer zo snel gegroeid als rijke landen. De wetenschapper Martin Ravillion schrijft in Science dat ongelijkheid bínnen deze landen gemiddeld gelijk is gebleven tijdens deze periode of zelfs iets is gestegen. Deze gemiddelden verhullen natuurlijk grote verschillen tussen landen. Latijns Amerika kent de grootste inkomensongelijkheid van alle regio’s. Landen als Brazilië en Bolivia zijn echter experimenten aangegaan met het oprichten van een welvaartsstaat, waardoor de ongelijkheid sinds 2000 aanzienlijk is afgenomen in deze regio. Zuid en vooral Oost-Azië laten een tegenovergesteld beeld zien. In deze regio’s is de ongelijkheid relatief laag, maar net als in de rijke landen is de ongelijkheid wel geleidelijk aan gestegen. Opkomende economieën met een grote bevolking zoals China, India en Indonesië zijn hier grotendeels verantwoordelijk voor. In Afrika is gemiddeld geen duidelijk patroon te zien: de ongelijkheid blijft relatief hoog, maar de situatie verschilt sterk van land tot land.

Volgens het meest recente rapport van African Progress Panel maakt toe- of afnemende ongelijkheid tijdens periodes van economische groei een groot verschil in de bestrijding van armoede. Om een voorbeeld te nemen: zowel Mali als Malawi zijn er in het afgelopen decennium in geslaagd de armoede te bestrijden. In Mali ging dit gepaard met toenemende ongelijkheid terwijl in Malawi de inkomens juist naar elkaar toe groeiden. Als in Mali bij dezelfde groei de ongelijkheid gelijk was gebleven in plaats van gestegen, hadden 2% meer mensen uit de armoede geholpen kunnen worden.

R>g in ontwikkelingslanden

De theorie van Piketty gaat vooral over de zogeheten functionele verdeling van het inkomen, de verdeling van het nationale inkomen tussen kapitaal en arbeid. Aangezien vermogens ongelijker zijn verdeeld dan de inkomens van werknemers, neemt de ongelijkheid toe naarmate een samenleving meer gedomineerd wordt door kapitaal. In ontwikkelingslanden wordt inkomensongelijkheid grotendeels bepaald door verschillen in opleiding en in fysiek en financieel kapitaal, zo schrijft Albert Berry. Net als in rijke landen is in ontwikkelingslanden het aandeel van kapitaal in het nationale inkomen gestegen. Dit is mede het gevolg van globalisering. De Aziatische tijgers van de eerste golf, zoals Taiwan en Zuid-Korea, exporteerden vooral arbeidsintensieve producten, wat zeker in Taiwan tot een daling van de ongelijkheid lijkt te hebben geleidt. Maar veel andere ontwikkelingslanden moeten het met name hebben van delfstoffen die veel kapitaalintensieve technologieën vereisen, en die veel opbrengsten genereren voor een kleine groep mensen. Daarnaast bestaat, vergeleken met rijke landen, veel kapitaal uit land en onroerend goed. De ongelijke verdeling van land in veel Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse landen weerhoudt veel mensen met lage inkomens ervan om fatsoenlijk in hun levensonderhoud te voorzien.

Ook de keuze van het type technologische ontwikkeling kan een verschil maken. Een land dat inzet op het verbeteren van intermediaire technologie (met een gemiddelde arbeid/kapitaalverhouding) in kleine en middelgrote bedrijven, zodat deze de concurrentie met het grootbedrijf aankunnen, kan de vraag naar arbeid op peil houden. Dit gebeurde in Zuid-Korea vanaf de jaren zeventig.

In vergelijking met rijke landen verklaart verder het gebrek aan scholing een groot deel van de verschillen in de inkomens van werknemers. Het gemiddelde inkomen van iemand met een universitaire opleiding kan 10 tot 15 keer zo hoog zijn als een ongeletterde persoon. Voor Martin Ravillion, ditmaal in een artikel in de Indian Express, zou een land als India zich hier nog het meest druk over moeten maken. Arme mensen hebben in India minder gedeeld in de groei dan zou kunnen. Slechte scholing en gezondheidszorg zorgen ervoor dat een groot deel van de bevolking op zelfvoorzienende landbouw blijft aangewezen.

Ook zaken als gender, etniciteit, stad vs. platteland en regio hangen in ontwikkelingslanden samen met de hoogte van het inkomen. De relatief sterke correlatie tussen deze factoren dat de horizontale ongelijkheid, de ongelijkheid tussen groepen mensen, groter is dan in rijke landen.

Maatregelen

Organisaties als ILO, UNCTAD en UNDP pleiten al langer voor een actieve rol van de overheid in het voorkomen van ongelijkheid. Zelfs een bastion van economische orthodoxie als de IMF is langzaam een ommezwaai aan het maken. Lange tijd was de heersende opvatting onder economen dat we ons niet al te veel zorgen hoefden te maken over ongelijkheid. Ten eerste zou industrialisatie van een land onvermijdelijk gepaard ging met groeiende ongelijkheid, maar die ongelijkheid zou na het bereiken van een bepaald inkomensniveau vanzelf weer gaan dalen. De relatie tussen groei en ongelijkheid had de vorm van een omgekeerde U-curve, de Kuznets curve geheten in navolging van de tendens in de VS die door de econoom Simon Kuznets in 1955 werd beschreven.

Ten tweede zou een herverdelingspolitiek alleen maar ten koste gaan van de groei en verder geen daling van de armoede tot gevolg hebben: het klassieke trickle down argument. Piketty schrijft dat de tendens die Kuznets en zijn navolgers beschreven niet het resultaat was van economische, maar van politieke krachten. De twee wereldoorlogen en de Grote Depressie hadden grote klappen toegebracht aan de vermogens van de elite, en na de Tweede Wereldoorlog zorgde een progressieve belasting ervoor dat er een middenklasse kon ontstaan. Sinds 1980 neemt de ongelijkheid in de rijke landen juist weer toe, zodat er sprake is van een gewone U-curve in plaats van een omgekeerde.

Volgens Calestous Juma in The Guardian is Piketty’s boodschap voor ontwikkelingslanden dat een actief overheidsbeleid nodig is om de val van ongelijke groei te ontlopen. Helaas hebben vooral Afrikaanse landen minder tijd om de politieke en economische instituties te bouwen die nodig zijn om de uitdaging die industrialisatie met zich mee brengt het hoofd te bieden. Een lichtpunt is echter dat in Afrika instituties nog opgebouwd moeten worden en er dus veel ruimte is voor innovatie. Maar behalve Piketty’s ideeën over belastingen, zullen Afrikaanse leiders naar andere bronnen moeten kijken om te kijken hoe ongelijkheid te adresseren.

Bijvoorbeeld naar UNCTAD. De auteurs van een recent rapport van UNCTAD stellen dat sterke economische prestaties goed verenigbaar zijn met gelijkheid, als regeringen maar de juiste beleidskeuzes durven te maken. Belastingen spelen hier een voorname rol in. Een progressiever fiscaal beleid is volgens hen de sleutel tot een groeipad dat goede banen oplevert. In veel ontwikkelingslanden bestaat momenteel een regressief belastingstelsel: vermogen wordt amper belast en de BTW en de douanetarieven zijn te hoog. Verder zou het huidige beleid om extreem gunstige belastingvoorwaarden aan te bieden aan buitenlandse investeerders in grootschalige landbouw en mijnbouw moeten worden terug gedraaid.

De functionele verdeling van het nationale inkomen zou verbeterd kunnen worden door onder andere hervorming van landrechten en een industrieel beleid gericht op relatief arbeidsintensieve activiteiten.

Inhaalslag

Gabriel Demombynes van de Wereldbank schrijft dat Piketty’s boekwerk weinig relevantie heeft voor ontwikkelingslanden. De toenemende ongelijkheid in rijke landen in de laatste decennia is vooral veroorzaakt door lage groei. Zolang ontwikkelingslanden als kool blijven groeien, kunnen ze blijven hopen dat ze Piketty’s dystopia zullen ontlopen. In ieder geval zal Piketty’s verhaal dan op wereldschaal niet opgaan. De economieën van ontwikkelingslanden zijn sinds 2000 zo snel gegroeid dat als dit tempo van convergentie zich voortzet, het gemiddelde inkomen in deze landen dat van de VS tussen 2050 en 2060 zou hebben geëvenaard. Helaas heeft The Economist slecht nieuws voor de optimisten: de inhaalslag van opkomende landen is de laatste jaren aan het afvlakken. De groei werd gestimuleerd door de hoge prijzen van grondstoffen en vooral door handelsliberalisatie. Vrijhandel zorgde voor de verspreiding van productieketens over de wereld, waarvan vooral ontwikkelingslanden profiteerden. Het zal niemand verbazen dat de liberale The Economist de hoop heeft gevestigd op een nieuwe ronde van handelsliberalisatie.

Niet alle auteurs die in dit stuk zijn aangehaald zullen het hiermee eens zijn, op zijn zachtst gezegd. Veel critici van globalisering beweren dat liberalisatie van handel en kapitaalstromen juist groeiende ongelijkheid tot gevolg heeft. Het laatste woord is hier dan ook nog niet over gezegd. Temeer daar Piketty zelf ook heeft aangegeven dat op de eerste plaats verbetering van de data noodzakelijk is om onderzoek naar ongelijkheid in ontwikkelingslanden een steviger fundament te geven.

Auteur
Andries Jan Zijlstra

Datum:
05 november 2014
Categorieën: