TTIP toch niet zo gunstig voor ontwikkelingslanden

Vandaag debatteert minister Ploumen met de Tweede Kamer over het vrijhandelsverdrag tussen de EU en de VS. In een opiniestuk laat zij vandaag weten dat het verdrag voor een ieder positieve gevolgen heeft. Maar of dat zo is, valt te betwijfelen. Vice Versa publiceerde in haar februarinummer van dit jaar een artikel over zogeheten megadeals. Experts maken zich zorgen en uit onderzoek blijkt dat het vooral de Europese Unie en de VS zijn die profiteren van een akkoord, terwijl de meeste ontwikkelingslanden verliezen. 

Met een WTO die vrijwel continu in crisis lag, zijn landen steeds meer hun toevlucht gaan zoeken in regionale en bilaterale verdragen. Er zijn er meer dan 500 van kracht of in de maak. Econoom Jagdish Bhagwati noemt het een ‘spaghetti bowl’ van handelsverdragen. Omdat afzonderlijke landen in ieder vrijhandelsverdrag andere overeenkomsten onderhandelen, met eigen uitzonderingen en achterdeurtjes, ontstaat er een onontwarbare kluwen.  En juist deze wirwar is volgens hem, en volgens vele WTO-watchers als Mendoza en Imboden, de grootste bedreiging voor het multilaterale systeem.

De twee meest in het oog springende vrijhandelsverdragen die op het moment in de maak zijn, zijn de zogenaamde ‘megadeals’: de Transatlantic Trade and Investment Treaty (TTIP) tussen de EU en de VS en het Trans-Pacific Partnership (TPP) tussen de landen rondom de Pacifische Oceaan, te weten de VS, Australië, Maleisië, Vietnam, Singapore, Peru, Chili, Brunei, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland en Mexico. Nicolas Imboden, directeur van de organisatie IDEAS, becommentarieert: ‘Het betekent de erosie van het inclusieve multilaterale systeem. We hadden ooit de GATT, de General Agreement on Tariffs and Trade, dat was een rich men’s club. Vervolgens kreeg men iets meer oog voor ontwikkelingslanden en die kregen uitzonderingen, maar de regels bleven die van het Westen. Nu hebben we sinds de oprichting van de WTO eindelijk een inclusief systeem. Ontwikkelingslanden werden echter de meerderheid en nu wordt het te ingewikkeld voor de ontwikkelde landen, en gaan ze terug naar het systeem van de GATT. Want dat is wat de TPP en het TTIP in feite doen: de arme landen achterlaten in de kou.’

Deborah Elms, die als liberale econoom bij de Temasek Foundation for Trade and Negotiations uit Singapore niet vies is van een beetje meer vrijhandel, erkent dat dergelijke megadeals niet gunstig zijn voor armere landen. Elms: ‘Voor veel ontwikkelingslanden is het geen optie om in dergelijke deals mee te gaan. De kleine Pacifische eilanden hebben bijvoorbeeld niets te bieden. Niemand wil met hen een vrijhandelsverdrag. Dus ze kunnen niet profiteren van de nieuwe regels die de verdragen te bieden hebben.’

De TPP heeft iets van een middelbare-schooltafereel waar je wel of niet mee mag doen met de grote jongens. ‘Je hoort erbij of je staat erbuiten’, zegt Elms. ‘Een land als Vietnam zal naar mijn verwachting een grote groei meemaken. Als de importtarieven van de VS van 14 % naar 0 % gaan, zullen de exportvoordelen enorm zijn. Niet alleen voor ruwe materialen, maar ook de tarieven voor hooggekwalificeerde producten gaan naar beneden. De groei zal als gevolg hebben dat buitenlandse bedrijven hun producties uit Thailand halen – dat niet deel is van het TPP – en naar Vietnam brengen. Thailand zal hevig lijden, en Vietnam zal winnen. Het splijt de regio uiteen.’

De protesten van maatschappelijke organisaties en denktanks gaan verder. Zo ziet Martin Khor van het South Centre, een denktank in Genève, niet alleen maar voordelen voor de landen die mee mogen doen. Hij schrijft op zijn blog dat de tariefreducties de lokale producenten in gevaar kunnen brengen. Ook zet de VS met het TPP de industriepolitiek van Aziatische landen onder druk, waarin de staat een grote rol heeft in de economische ontwikkeling en veel bedrijven voor de helft bezit. Dergelijke politiek hebben landen als Maleisië, Zuid-Korea en Vietnam volgens Khor juist doen groeien. Ook de strenge eisen van de Verenigde Staten voor een restrictief intellectueel eigendomsbeleid, die een stuk verder gaan dan de huidige WTO-regels, creëren zorgen bij de TPP-partners. Met name de ontwikkelingslanden onder hen voelen zich niet overal meer prettig bij, blijkt ook uit een recent statement van een Maleisische minister. ‘Je tast het fundamentele soevereine recht aan van landen om eigen politiek en regelgeving te voeren. Dat is tricky en dus vragen we om flexibiliteit.’

Tegelijkertijd is niet meedoen ook niet echt een optie – denk aan het voorbeeld van Thailand. Daarom staat de volgende groep landen ook al in de rij om over een TPP te praten. Het verdrag creëert aldus een opwaartse druk voor handelsliberalisering. Saillant detail is overigens dat het TPP (en ook de TTIP) niet op alle gebieden zo vrijhandelsgezind is. Over het afbouwen van Amerikaanse landbouwsubsidies wordt in alle talen gezwegen.

Fopcadeau?

Dichter bij huis is daar die andere megadeal, de TTIP tussen de EU en VS. Het eerste doel daarvan is het afschaffen van de handelstarieven; die liggen nu op zo’n 4 % met uitschieters naar 30 %. Daarnaast gaat het om het gelijktrekken van regels, normen en wetten. Dit zijn tegenwoordig immers de grootste belemmeringen voor handel. Elms legt het uit aan de hand van een flesje water: ‘De EU gebruikt liters als maateenheid, maar de VS gebruikt gallons. In de EU is het verplicht dat er meerdere talen op het label staan. De kilocalorieën in de EU zijn net weer even anders dan de calorieën in de VS. De veiligheid van het water wordt in de VS getest, maar eenmaal geëxporteerd naar de EU, met haar eigen veiligheidseisen, moet dat weer opnieuw.’ Het doel van de TTIP is om dergelijke standaarden te harmoniseren óf elkaars standaarden te accepteren. Van de stekkerdozen tot aan voedselveiligheidsstandaarden, van gallonsof liters tot milieueisen. De Europese Commissie verwacht dat het de beide regio’s miljarden, zo niet triljoenen aan inkomsten oplevert. Maar de maatschappelijke vrees is dat de nieuw te maken regelgeving voorrang zal krijgen boven democratisch gemaakte nationale wetten en sociale regelgeving.

Voor ontwikkelingslanden zijn de gevolgen minder ingrijpend, maar ook voor hen zal het verdrag voelbaar zijn. Volgens onderzoek van het Centre for Economic Policy Research (CEPR), dat in opdracht van de Europese Commissie is gedaan, zijn die gevolgen onverminderd positief. De rest van de wereld zou volgens CEPR mee profiteren met een stijging van 0,07 tot 0,14 % van het bruto nationaal product (bnp). Dankzij de harmonisering van standaarden zullen ontwikkelingslanden niet langer met twee sets aan regels te maken hebben. Bovendien, zo is de verwachting, ontstaan er mondiale standaarden, waarmee de rompslomp aan regels vermindert en de winst stijgt. Ook zouden ontwikkelingslanden, geïntegreerd als ze zijn in de mondiale productieketens, mee kunnen liften op het gestegen volume van de handel en zodoende meer kunnen exporteren. Eurocommissaris Karel de Gucht noemt TTIP zelfs ‘een cadeautje voor de wereld’.

Maar het is nog te bezien of het geen fopcadeau blijkt. Andere studies tonen namelijk heel andere uitkomsten voor de toekomst. Volgens een studie van het ifo Instituut, in opdracht van de Duitse Bertelsmann Foundation, zullen ontwikkelingslanden door het TTIP verlies lijden, omdat de geïntensiveerde handel tussen de twee handelsblokken ten koste zal gaan van hun export naar de EU en VS. Weliswaar worden de handelsverstorende effecten verzacht als de Amerikaanse en Europese standaarden worden geharmoniseerd, maar alsnog zal de hoogte van het bnp voor landen buiten de EU en de VS op de lange termijn dalen met percentages tussen de 0,2 en 7,2 %. Een studie van het Britse Department for International Development waarschuwt ook voor verliezen aan de zijde van ontwikkelingslanden – vooral voor de textielindustrie in Cambodja, Pakistan en Bangladesh. Daarnaast zitten er nog 27 lage-inkomenslanden in de gevarenzone, zoals Ghana, Ethiopië, Mali en Nepal. Die gevaren worden groter als het vrijhandelsverdrag zou leiden tot strengere regels.

Roos van Os van de Stichting Multinationale Ondernemingen (SOMO) legt uit hoe die handelsverstoring precies werkt. ‘Als je landbouwgoederen uit de VS tariefvrij toegang geeft tot de Europese markt, maar voor ontwikkelingslanden tarieven hanteert van 4, 6 of 15 %, zullen goederen uit ontwikkelingslanden minder concurrerend worden.’ Ook de minst ontwikkelde landen die profiteren van het ‘Everything But Arms’initiatief dat hen tariefvrije toegang tot de EU geeft, zullen hun voorkeursbehandeling ten opzichte van de VS verliezen. Het zijn niet de mango- of papayasectoren die zullen lijden: die hebben immers niets te vrezen van concurrentie met de VS en de EU. De producten die wél concurreren, zoals landbouwproducten, vlees, kleding, palmolie en bewerkte producten, des te meer.

Van Os wijst er bovendien op dat niet alle standaarden zullen worden geharmoniseerd: in veel gevallen zal er waarschijnlijk sprake zijn van wederzijdse erkenning van elkaars regels. Dat levert geen winst op voor ontwikkelingslanden, maar verlies. ‘Stel dat Ivoorkust haar cacao wil bewerken en haar chocoladereep wil exporteren naar de EU. Dan moet het land voldoen aan allerlei veiligheidseisen en technische regelingen. Als de EU en VS elkaars regels erkennen, creëren zij een zone waarin hun producten een voorkeursbehandeling krijgen. De chocoladereep uit de VS hoeft niet door de hele Europese papiermolen, en daardoor komt deze goedkoper op de Europese markt. Hierdoor stijgt de relatieve prijs van de chocoladereep uit Ivoorkust. Wil je dat ontwikkelingslanden meer waarde toevoegen en zelf ook industriële ontwikkeling doormaken, dan is dit akkoord niet de manier om dat te bereiken’, vreest Van Os.

Toch zijn er manieren om de effecten van de beide verdragen voor ontwikkelingslanden iets te verzachten. Imboden: ‘Je kunt proberen je bewust te worden wat andere landen pijn kan doen. De VS kan bijvoorbeeld de minst ontwikkelde landen ook tariefvrije toegang geven tot hun markten. Of, als ze nieuwe regels maken, deze versimpelen voor producenten die het niet lukt aan de standaarden te voldoen. Ga soepeler met de oorsprongsregels om, zodat ontwikkelingslanden mee kunnen liften met de voorkeursbehandeling die de twee blokken elkaar geven.’

Uitsluiting

Het TTIP heeft niet alleen tot doel om onderling de handel te bevorderen. Met het verdrag beogen de EU en VS ook mondiale standaarden te zetten. Daar waar het rapport van CEPR dit ziet als economische winst, plaatsen anderen kanttekeningen. Van Os: ‘Met 60 % van het marktaandeel in handen kunnen de rijke landen andere landen regels gaan dicteren. Ontwikkelingslanden hebben daar geen zeggenschap in gehad, want die zitten niet aan tafel.’ Het gaat dan niet alleen om de nieuwe regels en standaarden voor producten, maar ook ‘nieuwe’ onderwerpen als intellectuele eigendomsrechten, milieu- en arbeidsregels, het openstellen van publieke aanbestedingen, investeringen en het temperen van het gebruik van staatsbedrijven en exportbelasting op ruwe materialen. ‘Als gevolg van het mislukken van de WTO-onderhandelingen willen de EU en de VS, door zo’n heel groot handelsblok te maken, toch aan de achterdeur regels afdwingen over zaken waar ontwikkelingslanden in Doha niet over wilden onderhandelen’, aldus Van Os.

‘Het is een heel gevaarlijke situatie’, vult Imboden aan. ‘De rijke landen zullen met hun regels naar de WTO komen en zeggen: “Ofwel je accepteert deze regels en je maakt ze multilateraal, of we zullen ermee doorgaan en sluiten jullie uit van de markt.” De minst ontwikkelde landen hebben geen enkele onderhandelingspositie.’

Voor ontwikkelingslanden wacht een zware taak, voorziet Imboden. Zij moeten vasthouden aan hun prioriteiten binnen de Doha Ontwikkelingsagenda, proberen een voet tussen de deur te krijgen bij de onderhandelingen van de megadeals, en ondertussen de grote spelers verleiden de WTO niet links te laten liggen. Voor de WTO een net zo uitdagende taak om snel een akkoord te sluiten. Maar dat lijkt op dit moment, nadat India vorige maand het akkoord afketste, verder weg dan ooit.

Dit artikel verscheen eerder in Vice Versa nummer 1 op 18 februari.