Hoe Hippocrates-proof is Fatumo Farah?

Ieder nummer onderwerpen Marc Broere en Ellen Mangnus prominenten uit de ontwikkelingssector aan de dokterseed van Hippocrates. In het laatste nummer van Vice Versa dat deze zomer verscheen is het de beurt aan Fatumo Farah, directeur van HIRDA, een diaspora-organisatie die zich met name op ontwikkelingswerk in Somalië richt. Farahs grootste drijfveer is het bevorderen van de gelijkheid tussen Somalische meisjes en jongens. Ook pleit ze voor meer partnerschappen tussen de Nederlandse ontwikkelingssector en de Afrikaanse diaspora.

We ontmoeten Fatumo Farah op het kantoor van HIRDA in de Amsterdamse Wibautstraat. Het voormalige gebouw van de Volkskrant wordt behuisd door veel hippe bedrijfjes en start-ups. Directeur Farah sprak de dag voor onze afspraak nog in Zweden op het Global Forum on Migration and Development. Ze is goedgehumeurd en laat tijdens het interview regelmatig haar gulle lach horen, bijvoorbeeld na een serieus betoog over waarom het menselijke aspect binnen ontwikkelingssamenwerking volgens haar belangrijker is dan cijfers en indicatoren. ‘Die redenering hadden jullie vast niet verwacht van iemand die bedrijfsaccountant is geweest’, zegt ze dan schaterend.

Helemaal aan het eind van het gesprek komt ook haar vlucht naar Nederland in 1992 ter sprake. Farah was destijds 22 jaar en vertelt hartstochtelijk over hoe ze werd opgevangen. ‘Dat was zo positief, zo warm. Ik voelde me 23 jaar geleden zo veilig en welkom in Nederland. Dat zal ik nooit vergeten.’ Om vervolgens langzaam haar hoofd te schudden: ‘Als ik Nederland vandaag de dag zie, dan is het honderd procent veranderd. Ik hoor van jonge vluchtelingen dat hun perceptie van Nederland ook helemaal anders is dan die van mij destijds. Zij zien de Nederlandse samenleving als heel hard en heel onmenselijk, en voelen dat hun vluchtverhaal niet wordt geloofd. Het zijn twee totaal verschillende werelden die niet samenkomen.’

We namen met Fatumo Farah uiteraard ook de Eed van Hippocrates door. Het bleek een eed waar ze goed mee uit de voeten kan.

*Ik sta ten dienste van mijn medemens

‘Dat is een gelofte waar ik veel aan hecht. Ik heb voor dit type werk gekozen omdat ik bepaalde omstandigheden voor mijn medemens wil veranderen. Ik wil vooral vrouwen en jonge meiden empoweren zodat ze zelf keuzes kunnen maken in het leven en zich niet minder voelen dan jongens. Dat is voor mij een diepe beweegreden om dit werk te doen. Toen ik jong was, heb ik zelf beleefd hoe in de Somalische samenleving naar meisjes wordt gekeken. Meisjes gaan op zeer jonge leeftijd trouwen en verlaten dan de familie. Vervolgens wordt niet meer in ze geïnvesteerd in termen van educatie of zorg. Een vriendin van me presteerde enorm goed op de middelbare school, maar moest toch van school af om op haar veertiende te worden uitgehuwelijkt aan een man van 40. Vier jaar later, toen ik zelf naar de universiteit ging, zag ik haar terug. Ze had toen al vier kinderen en zag er oud en ongelukkig uit. Uithuwelijken is zo tegennatuurlijk, dat weten we allemaal. Toch zegt niemand er iets van vanwege de traditie.

Gelukkig heb ik zelf wel kansen gekregen. Mijn ouders hadden negen jongens en drie meiden. Mijn vader was heel gelukkig met zijn jongens. Als je vijf of meer jongens hebt, dan ben je rijk in Somalië. Het geeft aanzien in de samenleving: als vader doodgaat zijn er voldoende zonen die zijn naam voortzetten. Voor mij was opgroeien een strijd. Ik wilde laten zien dat ik niet minder maar beter was dan mijn broers op school. Daar heb ik het respect van mijn vader mee gewonnen.  De jaren voor zijn overlijden in 1989 merkte ik dat hij enorm waardeerde wie ik was en wat ik bijdroeg aan de familie. Er werd naar mij geluisterd en mijn argumenten werden meegewogen binnen familiebeslissingen. Hij noemde me ook wiilo, wat “jongen” betekent in het Somalisch.

Nadat ik in Nederland terecht was gekomen, heb ik mijn studie economie en bedrijfskunde afgerond. Daarna heb ik een paar jaar op een accountancykantoor gewerkt. Iedere dag langs bedrijven om de boekhouding te controleren. Ik moest enorm presteren, want alles was in die omgeving gericht op het opbouwen van je eigen carrière. Die carrière wilde ik graag, maar ik wilde eveneens op sociaal vlak iets betekenen. Ik was ondertussen getrouwd en had al tijdens mijn studie kinderen gekregen. Mijn man was ontwikkelingswerker en deed vrijwilligerswerk bij HIRDA. Ze waren net hun eerste onderwijsprojecten gestart. Ik begon er eerst als vrijwilliger, later als pr-medewerker en vervolgens als directeur.

De Somalische gemeenschap in Nederland is zowel formeel, via organisaties als HIRDA, als informeel betrokken bij de ontwikkeling van hun land. Natuurlijk kennen we allemaal de remittances, de geldovermakingen van de diaspora naar familie in de landen van herkomst.

Er wordt soms wat schamper gezegd dat remittances alleen maar naar de eigen familie gaan, en niet gericht zijn op de brede ontwikkeling van het land. Toch doet dat voor mij niets aan de waarde af. Volgens onze traditie en cultuur is het namelijk een verplichting om je eigen familie te ondersteunen. Ik vind wel dat remittances nog veel beter kunnen worden gebruikt om ontwikkeling te stimuleren. De meeste Somaliërs in Nederland zien remittances als een maandelijkse verplichting. Je maakt iedere maand 100 of 200 euro over naar de familie en vraagt je verder niet af wat er met dat geld gebeurt. Het is een beetje zoals Nederlanders belasting betalen: je weet dat je verplicht bent om belasting te betalen, maar welke Nederlander monitort nog precies wat er met zijn belastinggeld gebeurt? Ik vind dat je best verder mag denken en aan je familie thuis in Somalië moet durven vragen wat er met jouw geld wordt gedaan. Daar kun je best afspraken over maken. Wordt het gebruikt om eten te kopen en de kinderen naar school te sturen of gaat alles naar de man, die er qat voor koopt? Dat bewustzijn is er nog veel te weinig in de Somalische gemeenschap.

Overigens doet de tweede generatie Somaliërs, de jongeren die hier geboren zijn, het anders. Zij sturen geen geld, maar willen op een andere manier bijdragen. Ze zetten bedrijfjes in Somalië op of ondersteunen die. Dat vind ik heel positief, maar bij hen vraag ik soms af of ze de complexe cultuur van Somalië wel begrijpen. Ze hebben door hun opvoeding in Nederland het perspectief en de visie van hier meegekregen, en vergeten dat de mindset van mensen in Somalië getekend wordt door 24 jaar chaos en een niet-functionerende staat. Ik denk dat mijn generatie de brug moet vormen voor de jongeren die daar iets goeds willen doen.’

Verder lezen? Lees dan de nieuwste Vice Versa! Neem snel een abonnement of bestel het los. Ontvang bij een abonnement gratis het boek ‘Congo Codes’ van Dirk Jan Koch of ‘Minder Hypes, Meer Hippocrates’ van Marc Broere en Ellen Mangnus.

Auteur
Marc Broere

Datum:
06 augustus 2014
Categorieën: