Minister Ploumen weerstaat verleiding VVD meer ontwikkelingsgeld aan het Nederlands bedrijfsleven te geven

Er gaat binnen het huidige beleid nog te weinig naar het Nederlandse bedrijfsleven. Althans, dat vindt de VVD, die gisteren tijdens een notaoverleg in de Tweede Kamer ervoor pleitte dat er meer geld moet gaan naar het bedrijfsleveninstrumentarium en het Nederlandse bedrijfsleven. Van minister Ploumen hoefde dat niet zo nodig.

In Mexico zijn precies tijdens het Wereldkampioenschap voetbal parlementaire debatten gepland over omstreden plannen voor privatisering van olie. Een bewuste afleidingsmanoeuvre, volgens critici. In Nederland is het ongetwijfeld toeval geweest, en Ingrid de Caluwé (VVD), die initiatiefnemer was van het debat, excuseerde zich zelfs voor de timing – toch was het opvallend dat een toch wel politiek precair onderwerp als het bedrijfsleveninstrumentarium precies tijdens de wedstrijd Nederland-Chili was gepland. Een welkome bliksemafleider à la Mexico? In elk geval was de zaal vrijwel leeg en waren de vertegenwoordigers van D66, ChristenUnie en SGP, bewezen criticasters van het instrumentarium, niet aanwezig – alhoewel dat nadrukkelijk aan andere zaken lag en niet aan de wedstrijd, aldus de voorzitter.

Op de agenda stond het bedrijfsleveninstrumentarium van minister Ploumen en De Caluwé’s initiatiefnota. Deze laatste pleitte er in haar nota voor dat het Nederlandse bedrijfsleven nog veel meer betrokken zou moeten worden bij ontwikkelingssamenwerking en dat er nog sterker moet worden ingezet op private sectorontwikkeling.

Wereldbank

De VVD vindt dat er op het moment veel te weinig geld naar Nederlandse bedrijven gaat.  Volgens de VVD is dat nu 10 tot 15 % uit het bedrijfsleveninstrumentarium, en daarmee slechts 0,16 % van het gehele ontwikkelingsbudget. En dat, aldus de VVD, is weinig, zeker als je dat vergelijkt met wat andere landen bijvoorbeeld aan investeringen halen uit aanbestedingen van de Wereldbank. Zo halen Duitsland of Japan wel 50 tot 60 % van datgene wat zij aan de Wereldbank geven weer terug in opdrachten voor het eigen bedrijfsleven. In het geval van Groot-Brittannië loopt dat op tot 88%.

Volgens De Caluwé wordt daar stevig voor gelobbyd. ‘De financiering van Duitsland voor de Wereldbank moet naar bepaalde sectoren toegaan. Daarmee sorteert men al voor op het Duitse bedrijfsleven. Japan stelt als eis dat er een link moet zijn met het Japanse bedrijfsleven. Officieel geen gebonden hulp, maar het gaat wel die kant op. Italië zorgt ervoor mensen van Buitenlandse Zaken op sleutelposities bij de Wereldbank neer te zetten om kansen te signaleren kansen.’

‘Nederland moet niet zo naïef zijn’, vervolgt ze. ‘Ik ben het helemaal eens met de heer Heemskerk, die zegt (tijdens een interview bij BNR Radio, red): “ik zit er niet alleen als toezichthouder, ik zit er ook voor het belang van Nederland.” Ik denk dat we dat veel meer in ogenschouw moeten nemen.’

Ook vindt De Caluwé dat buitenlandse bedrijven geen aanspraak zouden moeten maken op het investeringsfonds ORIO, dat onlangs is omgedoopt tot DRIVE. Lokale bedrijven, bijvoorbeeld uit Tanzania, zouden dat wel mogen – maar geen Braziliaanse, Duitse of Engelse bedrijven.

VVD vangt bot

Het plan stuit op weerstand van Bram van Ojik, fractievoorzitter van GroenLinks, die vindt dat het riekt naar gebonden hulp, en daar is hij niet bepaald dol op. Bovendien wijst hij erop dat er sowieso al geld terugvloeit naar de Nederlandse economie. Althans, volgens minister Ploumen, die onlangs in het Financieel Dagblad beweerde dat er voor iedere euro hulp een euro in de Nederlandse economie wordt gepompt.

Even later wordt Van Ojik op zijn wenken bedient door de minister. Die had juist tevoren vers van de pers een concept-IOB rapport, “Return on aid for Dutch export: Good things come to those who make them happen”, meegegrist, waarmee haar beweringen worden gestaafd. IOB laat zien dat in de periode 1999 en 2009 voor iedere euro ontwikkelingshulp de export gemiddeld met ongeveer €1 toenam.

Voor de VVD is dat echter niet genoeg. Het budget voor het bedrijfsleveninstrumentarium, dat nu 10 % van het budget van OS bedraagt, moet in de toekomst vergroot worden tot 20%. Geld daarvoor kan volgens hen worden onttrokken aan de afdracht aan multilaterale organisaties. De VVD dient er een motie voor in, en daarmee krijgen de liberalen een Roelof van Laar (PvdA) tegenover zich die met moeite zijn woede in kan houden. ‘Waarop wil de VVD dan precies bezuinigen? De vluchtelingenorganisatie misschien? De hulp aan vluchtelingen is dit jaar immers nauwelijks nodig. De aidsbestrijding? Die kan misschien een tandje minder omdat de ziekte is overwonnen. Of misschien kunnen we het kinderfonds extra korten zodat het onderwijs aan kinderen in Syrië vervalt’, zegt hij met gevoel voor cynisme.

Minister Ploumen op haar beurt zwicht niet voor de druk van de VVD. ‘Ik stuur niet op kanalen’, is haar repliek. Bovendien stijgt het aandeel dat naar Nederlandse bedrijven gaat al binnen het bedrijfsleveninstrumentarium. Ploumen: ‘Het maximale budget waarop het Nederlandse bedrijfsleven aanspraak kan maken, groeit van 120 miljoen in 2014 naar 210 miljoen in 2017. Daar geldt dat het DGGF met 700 miljoen wordt gevuld.’ Het aandeel dat ten goede komt aan het Nederlandse bedrijfsleven binnen het instrumentarium stijgt tot volgens Ploumen tot ruim 40%. Dat is nog eens exclusief het Dutch Good Growth Fund en het handelsinstrumentarium. Ze raadt de motie dan ook af. Wel is ze het met de VVD eens dat er bij de Wereldbank best meer gelobbied kan worden voor Nederlandse opdrachten.

Een tweede motie van de VVD verzoekt de regering in kaart te brengen welke mogelijkheden er zijn om een groter deel van het bedrijfsleveninstrumentarium terecht te laten komen bij het Nederlandse bedrijfsleven. In kaart brengen zou eventueel nog wel kunnen, laat Ploumen ietwat onverschillig weten, en ze laat het oordeel aan de Kamer.

Impact

Sowieso worden de verschillen tussen PvdA en VVD in het debat duidelijk zichtbaar. Waar René Leegte (eveneens VVD) de gelegenheid niet onbenut laat om een stevig pleidooi voor handel in plaats van hulp te houden (‘Onze voorouders zijn niet hun grot uitgetrokken omdat zij geld kregen van andere neanderthalers’), wijst de PvdA op de successen van hulp, bijvoorbeeld op het gebied van HIV/Aids. Misschien dat het komt doordat Van Ojik en Van Laar naast elkaar zitten en er een lege stoel is tussen het duo en de rest van de ‘debaters’, maar er lijkt zich weer een ouderwetse links/rechts tegenstelling af te tekenen.

Zo tonen Van Ojik en Van Laar zich beiden kritisch over de impact van private sector ontwikkeling en halen zij het recent uitgekomen IOB-rapport aan. Daaruit blijkt dat de impact van de Nederlandse overheid op het private sector ontwikkelingsprogramma op armoedebestrijding en ontwikkeling niet zo vanzelfsprekend is. Het verbaast Van Ojik dat de VVD altijd zo kritisch is op de effectiviteit van de hulp, maar als het over het bedrijfsleven gaat, mag daar opeens wél meer geld naar toegaan. ‘Ik proef daar toch een zekere inconsistentie’, aldus Van Ojik. Dat ontkent De Caluwé: ook zij ziet graag dat er beter wordt gemeten – mits het niet doorslaat. ‘Ik wil vooral bereiken dat veel meer wordt gekeken naar de kansen. Dus niet: wat moeten we doen om te voorkomen dat een bedrijf iets fout doet?’

Minister Ploumen op haar beurt belooft beterschap en beter te evalueren, maar volgens Van Ojik gaat zij onvoldoende in op het kritiekpunt van IOB dat er niet gestuurd wordt op ontwikkelingsimpact of wel armoedevermindering. De minister verzekert Van Ojik dat ontwikkelingsrelevantie prioriteit is in het bedrijfsleveninstrumentarium. ‘We investeren in kansen voor armen, met specifieke aandacht voor jongeren en vrouwen, en zorgen dat markten ook voor hen werken’, aldus Ploumen. ‘Dit betekent dat de ontwikkelingsimpact bovenaan het lijstje staat van het bedrijfsleveninstrumentarium. Wij zullen ook nadrukkelijk van uitvoeringsorganisaties gaan vragen dat zij in hun interventielogica duidelijk maken hoe zij die inclusiviteit gaan bewerkstelligen, hoe zij werkgelegenheid creëren, direct als wel indirect, en hoe zij vrouwen, jongeren en kleine producenten betrekken.’

Maar Van Ojik is er niet gerust op. Hij dient dan ook een motie in waarbij hij de regering verzoekt bij investeringen uit ODA-middelen voor privatesectorontwikkelingsbeleid, armoedebestrijding expliciet als doel te stellen. Ploumen ziet het als ondersteuning van haar beleid.

Vraaggestuurdheid

Van Laar hamert daarnaast op vraaggestuurdheid. ‘Het doel van ontwikkelingsgeld is namelijk ontwikkeling mogelijk maken en niet het Nederlandse bedrijfsleven financieren’, zo stelt hij. ‘Niet elk ontwikkelingsland en niet elke gemeenschap zit te wachten op een tuinder met weet ik veel hoeveel hectare die daar al het water op maakt. Er moet dus gekeken worden of er een vraag is vanuit het land of vanuit de gemeenschap naar een bepaalde ondernemer, die wij met het bedrijfsleveninstrumentarium zouden kunnen helpen.’ Maar volgens Ploumen hoeft Van Laar zich geen zorgen te maken over de vraaggestuurdheid, want dat is al integraal onderdeel van de beoordeling. Zonder markt is er immers ook geen vraag en hoeft er ook niet te worden geleverd.

Wel zegt ze na aandringen van Van Laar toe om onderzoek te doen naar zogenaamde ‘unsollicited proposals’: voorstellen waar niemand om vraagt, maar waarvoor wel financiering wordt gevraagd.

Van Laar heeft nog meer voorstellen om het beleid bij te sturen. Zo pleit hij voor meer betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij het meten van de impact van het bedrijfsleven. Ook wil hij weten hoe er gestuurd wordt op inclusieve groei en op het betrekken van de allerarmsten en specifieke doelgroepen zoals vrouwen.

Ploumen voelt er echter niet zoveel voor om vooraf al te sturen op de betrokkenheid van vrouwen, maar zegt dat ze daar achteraf wel op te evalueert. Het zou desalniettemin toch zonde zijn als achteraf pas blijkt als er te weinig vrouwen zijn betrokken? vindt Agnes Mulder van het CDA. Zowel Van Laar als Mulder willen sterkere toezeggingen van de minister over het betrekken van vrouwen en ook het monitoren daarvan.

Van Laar dient over dit alles een motie in, waarmee hij de regering vraagt ‘erop toe te zien dat ontwikkelingsrelevantie en inclusieve groei altijd vooropstaan bij de uitwerking en toepassing van het bedrijfsleveninstrumentarium, onder meer door te letten op de vraaggestuurdheid van aanvragen, de gevolgen voor specifieke doelgroepen en het effect op armoedevermindering’. Een motie die, niet geheel verrassend, door Ploumen wordt gezien als ondersteuning van beleid. Evenals een andere motie van Van Laar, waarbij hij erop hamert dat het bedrijfsleveninstrumentarium op alle fronten bijdraagt aan, of op z’n minst niet schadelijk is aan, duurzame ontwikkeling. Bij het in kaart brengen van gevolgen van het instrumentarium moet het lokale maatschappelijk middenveld actief worden betrokken.

Geen toeval

Zoals de minister aangaf in haar Beleidsbrief van 25 april, ‘Effectieve privatesectorontwikkeling door focus en synergie’, zal er één loket komen voor het bedrijfsleveninstrumentarium om synergie te behouden. Dit plan kan op steun rekenen van de Kamer. De Caluwé maakt zich er desalniettemin zorgen over dat er bedrijven buiten de boot vallen omdat ze toevallig niet onder één van de regelingen vallen binnen het instrumentarium en hoopt dat het loket méér is dan een doorverwijsloket. Hierop verzekert Ploumen haar dat bedrijven binnen het loket bij de hand worden genomen. ‘We doen er alles aan om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Daarom website Partos en MKB Nederland Internationaal Ondernemen 1500 hits per maand. We doen veel om ervoor te zorgen dat vraag en aanbod niet alleen door toeval gevonden maar nadrukkelijk erop gestuurd.’

Waar de VVD liefst zoveel mogelijk geld naar het Nederlandse bedrijfsleven ziet gaan, heeft Van Ojik tot slot meer oog voor het lokale bedrijfsleven. Hij dient een motie in die ervoor pleit om het bedrijfsleveninstrumentarium open te stellen voor ondernemingen uit ontwikkelingslanden. Ploumen ziet kans deze motie te nuanceren door het woord ‘openstellen’ te vervangen door ‘betrokkenheid’. Dit wil Van Ojik wel overwegen, waarop de minister grapt: ‘Als ze er nu bij het Nederlands elftal ook zo soepel ingaan als hier, dan zie ik een mooie uitslag tegemoet.’

Het debat levert uiteindelijk 13 moties op, waarvan 5 van de VVD. Meer moties dus dan doelpunten, zo constateert Ploumen droogjes. ‘En een aantal van die moties is ook wel weer raak’, voegt ze toe, getuige de vele moties die zij ziet als ondersteuning van haar beleid. Coalitie en Kamer lijken daarmee opvallend eensgezind. Dinsdag 3 juli zal er over de moties worden gestemd.

Klik hier voor een volledig overzicht van de moties en een volledig conceptverslag van het debat.

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
24 juni 2014