Sport for development: liever alledaags

Afgelopen zondag, 6 april, markeerde de eerste International Day of Sport for Development and Peace. De Verenigde Naties vinden het thema belangrijk genoeg voor een jaarlijkse dag. ‘Dat is mooi’, stelt Martijn Harlaar, directeur programma’s van NSA International, ‘maar er zijn nog te veel mensen die sport for development slechts zien als het fotogenieke en vrolijke extraatje van internationale samenwerking. Met die houding doen zij miljoenen kinderen tekort. Sport is namelijk geen luxe, maar een cruciale bouwsteen voor ontwikkeling.’

Sport lijkt wellicht een extraatje. Bij ontwikkelingssamenwerking denken we eerst aan voldoende eten, onderwijs, gezondheid en een dak boven het hoofd. Zonder uitzondering allemaal heel belangrijk. Maar sport for development levert in veel ontwikkelingslanden een fundamentele bijdrage om deze zaken dichterbij te brengen. Niet voor niets verklaarde het Europese Parlement al in 2005 dat ‘bewegingsonderwijs en sport projecten de realisatie van de Millennium Doelen dichterbij brengen, in het bijzonder de doelen die zich richten op gezondheid, onderwijs, gender gelijkheid en vrede’.

Resultaten komen niet vanzelf

Maatschappelijke sportprojecten boeken resultaat. Neem Evelyn Ajing, een 26-jarige Keniaanse die opgroeide in de grootste sloppenwijk van Afrika. Haar leven zag er uit zoals we het kennen van de televisiespotjes die Afrika als ‘derde-wereld’ cultiveren. Te weinig eten, geweld en slechte toegang tot onderwijs bepaalden een groot deel van haar leven. Hoe anders is dat nu. Evelyn heeft een baan en zet zich met haar eigen stichting in voor rurale gemeenschappen. Haar leven veranderde door deelname aan een voetbalproject. Ze ontwikkelde sociale en psychologische vaardigheden als discipline, zelfvertrouwen en incasseringsvermogen. Vaardigheden die hun waarde ook buiten het sportveld bewijzen en waarvan de Universiteit Utrecht in recent onderzoek laat zien dat ze vaker het resultaat zijn van sport for development projecten.

Maar die resultaten komen niet vanzelf. Om goede resultaten te boeken met sport for development zijn een aantal randvoorwaarden noodzakelijk. Denk aan bruikbaar materiaal en sportfaciliteiten, maar ook aan goede coaches en organisaties die de sportprojecten begeleiden. Kom daar maar eens om op de droge vlaktes van Zuid-Soedan of het door conflict geteisterde Mali.

Toch zijn sport for development organisaties ook daar actief. Omdat we weten dat sport verschillende groepen bij elkaar kan brengen en een brugfunctie vervult naar onderwijs of een betere maatschappelijke positie. Volgens Unicef gaan 57 miljoen kinderen nog steeds niet naar school. Degenen die wél met sportprojecten worden bereikt, hebben daarmee toegang tot een alternatieve leeromgeving of worden geprikkeld weer naar school te gaan. De sportomgeving geeft jongeren bovendien de kans om zich te ontwikkelen als atleet, sport coach of sleutelfiguur in hun gemeenschap. Is sport dan nog steeds een luxe?

Liever alledaags

Rondom het aanstaande WK voetbal zullen bedrijven ongetwijfeld weer over elkaar heen buitelen om hun eenmalige maatschappelijke voetbalproject voor het voetlicht te brengen. Allemaal goed, maar niet duurzaam. Echte ontwikkeling vindt namelijk pas plaats als organisaties blijven en jongeren wekelijks kunnen sporten, begeleid worden door goed opgeleide coaches. Wanneer we investeren in de Evelyns. Wanneer we investeren in sport for development. Het is leuk zo’n wereldwijde dag, maar sport for development is liever alledaags.

Martijn Harlaar is directeur programma’s van NSA International, een non-profit organisatie die educatieve sportprogramma’s voor jongeren in ontwikkelingslanden ondersteunt.