Informatiebijeenkomst strategische partnerschappen: een voorbeschouwing

Morgen vindt de informatiebijeenkomst over de strategische partnerschappen plaats dat het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft georganiseerd. De Nederlandse ontwikkelingssector hoopt dan meer te weten over waar ze aan toe is. Vice Versa maakte een korte wrap-up van de stand van zaken tot nu toe, het proces en de toekomstige stappen. En ziet dat er nogal wat wrevel is over de manier waarop Buitenlandse Zaken het proces vormgeeft.

150 Organisaties zullen morgen bijeen komen op de New World Campus in het Van Bylandt Huis te Den Haag. Dat zijn zo’n beetje alle maatschappelijke organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking dat Nederland telt. Van half tien tot elf uur zal het ministerie de lang verwachte informatie geven over de stand van zaken rondom het nieuwe beleidskader. Daarna gaat de groep in tweeën uiteen en hebben de organisatie-vertegenwoordigers (één per organisatie) een uur en een kwartier om met de 150 andere aanwezigen te brainstormen over de vragen: wat is een strategisch partnerschap en wat is bepleiten en beïnvloeden? Dat komt neer op een gemiddelde van een minuut per organisatie: de enige kans om nog even alle visies eruit te spuien voordat de inputronde door het ministerie op 7 maart gesloten zal worden. Nog even de belangrijkste punten op een rij.

Welke veranderingen heeft minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking doorgevoerd in het subsidiestelsel voor maatschappelijke organisaties?

Minister Ploumen neemt met haar nieuwe koers afscheid van het medefinancieringsstelsel, dat in 2007 werd ingesteld en tot 2015 loopt. Het medefinancieringsstelsel was in feite een grote subsidiepot waar organisaties in allianties met andere ngo’s op konden indienen. Organisaties werden niet zozeer beoordeeld op inhoud en strategie van manier van opereren, als wel op objectieve beoordelingscriteria zoals kwaliteit van het voorstel en meetbaarheid van resultaten.

Met de strategische partnerschappen verandert deze constructie compleet. De samenwerking wordt veel intensiever en inhoud en strategie staan bovenaan. Minister Ploumen kiest voor een specifieke rol van ngo’s, namelijk die van bepleiten en beïnvloeden. Ze gaat daarvoor 25 strategische partnerschappen aan voor een periode van 5 jaar. Zo’n partnerschap is meer dan elkaar informeren, benadrukt de minister. Ze wil minstens één keer per jaar beleidsoverleg met haar partners om strategieën af te stemmen en wil op bepaalde agenda’s gezamenlijk optrekken. Het is aan iedere organisatie zelf te beslissen of ze al dan niet samen met andere organisaties een voorstel voor samenwerking in willen dienen.

Daarnaast zet de minister meer dan voorheen in op flexibiliteit om in te spelen op actuele zaken. De partner kan een groot deel van de subsidie zelf invullen, terwijl een beperkt  deel van de subsidie wordt gereserveerd voor flexibele inzet gericht op activiteiten die aansluiten bij de (politieke) actualiteit. De grote papierberg aan administratieve lasten om verantwoording af te leggen, zal onder het nieuwe partnerschap ook een stuk kleiner worden, zo belooft de minister. ‘Vertrouwen’ staat centraal.

Een andere trendbreuk is dat zuidelijke ngo’s ook in de partnerschappen kunnen zitten en ook penvoerder mogen worden. Dat laatste werd mogelijk gemaakt door een omstreden motie van PvdA-Kamerlid Roelof van Laar.

Buiten de strategische partnerschappen heeft de minister twee nieuwe fondsen opgetuigd. Zo komt er een Accountability Fund om zuidelijke ngo’s direct te financieren. Ook hier gaat het om het versterken van de lobby and advocacy rol van ngo’s. Daarnaast komt er een innovatiefaciliteit voor nieuwe ideeën – wederom op het gebied van bepleiten en beïnvloeden. Dat hier overigens breed lijkt te worden opgevat – zo noemt ze een hackaton met open data op het gebied van voedselzekerheid in Londen als voorbeeld.

Daarnaast zullen ngo’s financiering krijgen vanuit de speerpunten. Ook kunnen ngo’s, net als voorheen, tenderen op specifieke fondsen als het mensenrechtenfonds of FLOW voor projecten op het gebied van vrouwen en conflict.

Hoe ziet het financiële plaatje eruit?

Er is 185 miljoen per jaar voorlopig gereserveerd. Dit bedrag moet verdeeld worden onder 25 strategische partnerschappen. Een simpel rekensommetje leert dat er dus 7,4 miljoen per jaar gemiddeld per partnerschap besteed kan worden, al zullen de hoogtes van de bedragen natuurlijk fluctueren. Vergeleken met het medefinancieringsstelsel betekent dit een fikse aderlating. Organisaties kregen vanuit dit stelsel rond de 400 miljoen per jaar. Er zullen dus flinke klappen vallen en het is niet uit te sluiten dat sommige ngo’s deze bezuinigingsronde niet zullen overleven.

Voor wat betreft financiering uit de speerpunten kan de minister geen exacte bedragen noemen. Voor het Accountability Fund zal voorlopig jaarlijks 15 miljoen worden gereserveerd en voor de Innovatiefaciliteit 10 miljoen euro per jaar.

Wat bedoelt de minister met bepleiten en beïnvloeden?

Bepleiten en beïnvloeden is een van de drie functies zoals die algemeen wordt gedefinieerd naast directe armoedebestrijding en maatschappij- en/of capaciteitsopbouw. De term is een vertaling van de Engelse term: lobby and advocacy. Een heldere definitie of afbakening van deze rol wordt in de brief niet gegeven. Wel geeft ze enkele voorbeelden in haar Kamerbrief. ‘Waakhondngo’s zullen overheden of watermaatschappijen aanspreken op het (groot) onderhoud van de watervoorziening, of zij zullen de overheid aanspreken als wetten niet uitgevoerd of gehandhaafd worden. Waakhondngo’s hebben een politiek onafhankelijke positie ten opzichte van overheden en marktpartijen’, schrijft de minister. Strijd voor landrechten, vrouwenrechten en betere arbeidsomstandigheden zijn voor de minister ook typisch voorbeelden van de waakhondrol van ngo’s. Zo zei ze tijdens het afscheid van Manuela Monteiro als directeur van Hivos: ‘Vrouwenrechten in India hebben tientallen jaren gevochten om de publieke massa te mobiliseren. Hivos heeft hen daarin gesteund. De geschiedenis is nu aan hun zijde. En dat is de echte macht van het maatschappelijk middenveld. En die macht wil ik de komende jaren uitbreiden.’

Waarom nu juist deze rol? De belangrijkste reden die in de brief wordt genoemd is dat de lobby and advocacy rol internationaal gezien relatief minder steun krijgt, terwijl deze wel noodzakelijk is voor inclusieve en duurzame groei. Voor dienstverleningsactiviteiten zouden ngo’s gemakkelijker geld kunnen krijgen van bijvoorbeeld een Bill&Melinda Gates Foundation.

Wat is een strategisch partnerschap?

Ook hierover bestaat nog veel onduidelijkheid. Aan de ene kant wordt het uitgelegd als een vorm van een bijna liefdevolle samenwerking om samen doelen te bereiken. De minister lijkt ervan uit te gaan dat er binnen de agenda van hulp, handel en investeringen de belangen van de Nederlandse overheid en maatschappelijke organisaties elkaar overlappen of aanvullen. Ze wil daarop samen met andere organisaties strategieën afstemmen, en noemt de post-2015 agenda bij de VN en Internationale Ronde Tafel voor Duurzame Palmolie als voorbeeld. Ook roemt Ploumen de wisselwerking die ze heeft met Cordaid in de Niger delta: terwijl Cordaid  samenwerkt met lokale gemeenschappen, speelt de overheid op haar beurt een actieve rol in het op gang houden van de dialoog.

Aan de andere kant geeft Ploumen ook ruimte voor de rol van ngo’s als kritische volger van eigen beleid. ‘Een dialoog met een gezonde tegenwind’, noemt zij het. Ze zal er misschien ’s nachts wakker van liggen, ze zal er misschien zelfs spijt van krijgen en haar tanden zullen er zelfs van kunnen gaan knarsen, maar ‘de onafhankelijke positie is gewaarborgd’, aldus Ploumen tijdens een Kamerdebat. Daarbij gaf zij ook aan een kritische houding van het maatschappelijk middenveld op haar eigen beleid te verwachten. ‘Die organisaties zullen ongetwijfeld niet alleen maar globale problemen aankaarten als rechteloosheid en ze zullen zich heus niet alleen maar richten op het falen van de overheid van Congo. Die organisaties zullen ook wel eens een keer de minister aan haar jasje trekken over bijvoorbeeld belastingbeleid.’

Welke organisaties komen in aanmerkingen?

De minister zegt hierover: ‘Organisaties en allianties van organisaties die strategisch kunnen opereren op het gebied van pleitbezorging, en die het vermogen hebben relevante beleidszaken binnen de agenda van hulp, handel en investeringen te agenderen en beïnvloeden. Ervaring in capaciteitsopbouw van maatschappelijke organisaties is een voorwaarde. Specialisaties zoals op het terrein van handels-en investeringsdossiers, of op andere terreinen, wordt gewaardeerd.’

Wat waren de reacties op Ploumens beleidsbrief?

In het publieke debat wordt tot nu toe nog niet heel veel discussie gevoerd over de inhoud van Ploumen beleidskader. Het lijkt alsof iedereen afwacht tot er meer duidelijkheid wordt geschapen en de messen aan het slijpen is om zo strategisch mogelijk te dingen naar de flink geslonken subsidiepot van 185 miljoen euro. Wel publiceerden enkele organisaties hun reactie op hun websites, waaruit blijkt dat de koers van de minister voorzichtig positief werd ontvangen. Zo was Henk Jochemsen van Prisma positief over de toegenomen flexibiliteit en verminderde regeldruk, maar gaf aan dat er nog veel onduidelijk was. Cordaid noemde het ‘nieuwe, spannende partnerschappen’ op hun website.

Hivos juichte de keuze van de minister voor pleitbezorging en beleidsbeïnvloeding toe, maar was minder te spreken over de vermindering in het budget. CARE herkent zich eveneens in de keuze voor de waakhondrol, maar vraagt zich tevens af hoe de andere functies van dienstverlener, broker, en facilitator van processen gefinancierd moeten worden. Danielle Hirsch van Both ENDS was onverdeeld positief: ‘Minister Ploumen steekt haar nek uit met de duidelijke keuze voor het financieren van haar eigen frisse tegenwind’, luidde haar reactie.

Publicist Frank van der Linde heeft daarentegen een kritischer houding. Hoewel hij de financiering van tegenmacht toejuicht, vreest hij dat het primair en vooral gaat om het financieren van tegenmacht in andere landen. Dit terwijl juist het eigen Nederlandse overheidsbeleid kritisch in de gaten zou moeten worden gehouden. ‘Het is te hopen dat er tussen nu en woensdag 4 maart nog een paar directeuren zwetend wakker worden en zich realiseren dat het een grote vergissing is om met de Nederlandse overheid strategische partnerschappen aan te gaan. Wat Nederland én de wereld nodig heeft is een onafhankelijk maatschappelijk middenveld dat voldoende afstand houdt van de Nederlandse overheid en haar vriendelijk of anders minder vriendelijk corrigeert’, wil hij de aanwezigen op 4 maart graag nog even meegegeven.

Wat ging en gaat het proces?

Het proces van herdefiniëring van het subsidiekader voert terug tot 2010. Direct al na het moment dat de subsidies voor het medefinancieringsstelsel werden bekend gemaakt, sloeg de medefinancieringsmoeheid toe. Drie wetenschappers verzuchtten na de uitslagen op de Vice Versa website dat ze het eindelijk eens over de inhoud wilden hebben en dat op zoek diende te worden gegaan naar de daadwerkelijke meerwaarde van ontwikkelingsorganisaties. Die soul searching begon in 2011 goed op gang te komen. Onder de toenmalige bewindspersoon, staatssecretaris Ben Knapen, waren er zowel online als offline vele discussies gaande over de rol van het maatschappelijk middenveld en haar relatie met de overheid. Een duidelijke visie op de rol van het maatschappelijk middenveld kwam daar nog niet uit, waarop minister Ploumen bij haar aantreden het stokje overnam. In december 2012 kon zij definitief vermelden dat er geen nieuw medefinancieringsstelsel zou komen.

Begin vorig jaar begon zij met de gedachtevorming over het nieuwe beleidskader, zoals uit interne memo’s blijkt die middels een WOB-verzoek van Frank van der Linde boven tafel kwamen. Voor de zomer was er een conceptbrief in omloop en de meerwaarde van ngo’s leek gevonden te zijn: die van bepleiten en beïnvloeden, samen in een strategisch partnerschap met de overheid. Een klankbordgroep bestaande uit René Grotenhuis (voormalig directeur Cordaid), Jan Gruiters (directeur Pax), Danielle Hirsch (directeur Both ENDS), Peter Konijn (Emerging Powers), Kees Biekart (Institute for Social Studies), Ton Dietz (Africa Studies Centre), Yannick du Pont (directeur SPARK) en Alexander Kohnstamm (voormalig directeur Partos) konden als eerste commentaar geven op de conceptbrief.

In het memo staat verder dat er nooit meer geconsulteerd zou moeten worden zoals bij MFSI en MFSII, ‘waar alle organisaties bij elkaar gelijktijdig om feedback werden gevraagd. Tijdens het MFSII consultatieproces werd de indruk gegeven dat het speelveld nog open lag, ieder ging voor zijn eigen belang, wat een vervelende, niet constructieve omgeving opleverde.’ Wel was het plan de conceptbrief naar Partos leden te sturen waarop die online hun input konden geven, maar uiteindelijk is dit er niet meer van gekomen. Bleef over een oproep via Facebook aan maatschappelijke organisaties om hun input te geven. Ook geeft Ploumen in haar brief aan dat ze met zeer veel vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, burgers en activisten heeft gesproken in binnen- en buitenland.

Morgen wordt er dus nog een drie uur durende informatiebijeenkomst gehouden dat tevens dient als laatste inputronde. Tot 7 maart hebben organisaties dan nog de tijd hun input in te dienen. Daarna wordt het een intern beleidsproces.

Dat is niet helemaal het proces zoals Partos dat voor ogen had. Partos had liever een uitgebreidere consultatie gezien. Partos-directeur Bart Romijn: ‘Een informatiebijeenkomst van drie uur is wel heel erg kort. Door 4 maart een bijeenkomst te organiseren en 7 maart de mogelijkheid om input te geven te sluiten, wordt het proces veel te veel in elkaar geperst. In het optimale scenario hadden we graag een constructieve dialoog gehad met het ministerie waar verschillende posities zouden worden gehoord om op die manier tot een goede invulling te komen van het kader. Maar op z’n minst hadden we een traject willen zien waar in ieder geval de kaders al in een vroeger stadium bekend waren geweest. We hebben onze leden gemobiliseerd om hun input te geven, maar het enige kader dat we hadden was de beleidsbrief. Dat was met hagel schieten op een groot doel. Als we tenminste wisten wat er al vast stond, wat de negotiables en de non-negotiables waren en wat de vragen waren vanuit het ministerie, hadden we veel gerichter input kunnen geven. Hoe het nu gaat, is het allemaal veel te kort door de bocht.’

Romijn hoopt er desalniettemin het beste van en wil de organisaties en het ministerie nog wel een paar dingen meegeven. ‘Ik hoop niet dat het een vraag/antwoord sessie wordt, maar dat er ook echt een brainstorm en wisselwerking plaatsvindt. Daarnaast hoop ik van organisaties dat ze er echt komen om inhoudelijk te brainstormen, en dit voortraject niet als een soort tender te zien en al voor te sorteren op de kansrijkheid van hun eigen organisatie.’

Een formeel antwoord van Buitenlandse Zaken volgt later deze middag en zal in een nieuwe versie van het stuk worden verwerkt.

Tijdslijn

Fase 1 – de partnerselectie

  • Januari – maart: Buitenlandse Zaken gaat aan de slag met het concept subsidiekader
  • Consultatieochtend begin maart voor maatschappelijke organisaties.
  • Mei: Publicatie (subsidie)beleidskader. Inschrijving staat drie maanden open
  • September: uiterlijke deadline om je als strategisch partner te melden (indienen aanvraag)
  • November/December: bekendmaking strategische partners

Fase 2 – de programmaformulering:

  • Tijdspad is nog onbekend. Doel is om de programmaformulering medio 2015 af te ronden.

Wilt u goed voorbereid de workshops ingaan? Partos heeft een document opgesteld met daarin een aantal richtlijnen om de discussie vorm te geven. Klik hier.