Landroof: Kamer wil graag meer zicht in woud aan regels

Alan Manson

Deze week mocht minister Ploumen van hulp en handel proberen de Tweede kamer er van te overtuigen dat haar beleid voor Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen al tanden krijgt. Gisteren ging het over de arbeidsomstandigheden in Bangladesh en de steenkolendialoog. Woensdag stond landroof op de agenda, naar aanleiding van de brief die de minister in mei naar de Tweede Kamer stuurde. Ingrid de Caluwé (VVD) moest het als enige volksvertegenwoordiger van de rechtse partijen in de Kamer opnemen tegen de SP, PvdA, Groen Links en Partij voor de Dieren.

Het zijn woensdagmiddag vooral de vertegenwoordigers van de drie linkse oppositie partijen die  de minister aansporen om internationale richtlijnen aan te scherpen, de rechtspositie van slachtoffers van landroof te verbeteren en meer duidelijkheid te verschaffen over de rol van door Nederland gesteunde bedrijven in ontwikkelingslanden. De Caluwé heeft zich vastgebeten in de internationale richtlijnen en wil vooral voorkomen dat een opeenstapeling van richtlijnen zal verhinderen dat Nederlandse bedrijven in het buitenland nog aan investeren toekomen.

Internationale richtlijnen voor bedrijven zijn één van de belangrijkste peilers van het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) beleid van Minister Liliane Ploumen. De OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen worden internationaal het meest toegepast, maar gaan slechts zijdelings over landacquisitie. Daarnaast bestaat er nog een woud aan richtlijnen waarvan vooral de Performance Standards van de International Finance Corporation (IFC), die verder gaan dan de OESO-richtlijnen en specifieke bepalingen over landacquisitie bevatten, en de Voluntary Guidelines van het Committee on World Food Security (CFS) voor het thema landroof van belang zijn.

Minister Ploumen ziet naar eigen zeggen Ingrid de Caluwé (VVD) verbleken bij een pleidooi van Bram van Ojik (Groen Links) om te winkelen bij de verschillende internationale richtlijnen en dan deze samen te brengen in ‘één mooi OESO-pakket, dat dan verplicht wordt gesteld.’ De Caluwé is van mening dat de richtlijnen van de OESO leidend zouden moeten zijn en dat de strengere Performance Standardsvan de IFC slechts in uitzonderingssituaties moeten worden gebruikt. In geen geval zouden ze van toepassing moeten zijn op kleinere operaties waardoor bijvoorbeeld kleine Nederlandse groentetelers er ook mee te maken kunnen krijgen.

Minister Ploumen laat weten het huidige gebruik van de Performance Standardsovereind te houden. Ze worden nu gebruikt als referentie door onder andere FMO en de exportkredietinstelling van de Nederlandse staat Atradius DSB. Volgens haar dienen ze ook om kleinere ondernemers te beschermen tegen participatie in grootschalige projecten waar ze liever niet bij betrokken willen worden. Het is soms moeilijk voor het Nederlandse midden- en kleinbedrijf om in te schatten waar ze nu precies zitten in de productieketen.   Ondanks de mededeling van de minister dat de Performance Standardsnu slechts gelden voor grootschalige landacquisities, kondigt De Caluwé hier al vast een motie over aan.

De linkse oppositiepartijen vinden de huidige OESO-richtlijnen te algemeen en niet bindend genoeg. Van Ojik: ‘ Hier zie ik een contradictie. Als we als Nederland willen inzetten op een krachtige rol van de OESO-richtlijnen, moeten we ons niet beroepen op richtlijnen die vaag en algemeen zijn.’ Hij zou graag zien dat Nederland de verschillende vrijwillige richtlijnen omzet in concrete bepalingen in handels- en investeringsverdragen.

Inzicht

Bij de linkse oppositiepartijen blijkt behoefte te bestaan aan meer inzicht in hoe de problematiek rondom landroof zich ontwikkelt. Dat het moeilijk is dit precies in kaart te brengen, blijkt uit het verschil in inschatting tussen Esther Ouwehand (Partij voor de Dieren) en minister Ploumen. Daar waar de minister denkt dat het fenomeen landroof over zijn hoogtepunt heen is door onder andere het toegenomen bewustzijn bij agrobedrijven, wordt volgens Ouwehand het probleem steeds groter. Ze wijst daarbij op controversiële landdeals in Sierra Leone, Uganda en Brazilië. De NGO ActionAid heeft het biobrandstofbedrijf Addax er van beschuldigd dat de productie van bioethanol voor de Europese markt op een grote suikerrietplantage in Sierra Leone ten koste gaat van de voedselzekerheid van de lokale bevolking. De plantage is onder meer met geld van FMO gefinancierd. Addax ontkent de beschuldigingen en noemt het rapport ‘volkomen foutief.’ Minister Ploumen heeft hierop een bijeenkomst belegd op 10 september waarbij onder andere FMO, ActionAid en lokale NGO’s  aanwezig waren.  De minister kondigt als vervolg op de bijeenkomst een dialoog tussen Addax en lokale NGO’s aan.

Van Ojik merkt op dat in de brief van de Minister bij een opsomming van de resultaten van het beleid slechts één uitkomst wordt genoemd, namelijk een afname van conflicten rond landzaken. De fractieleider van GroenLinks wil graag weten in hoeverre de resultaten daadwerkelijk bijdragen aan het terugdringen van landroof. De minister laat weten te werken aan een betere meetbaarheid rondom de uitkomsten van haar beleid, bijvoorbeeld door databestanden te gebruiken. Daarnaast gaat het kabinet binnen de ‘Sector Risico Analyse’ die het gaat uitvoeren rond MVO-kwesties speciaal aandacht besteden aan de agrofoodsector. Bedrijven kunnen de analyse vanaf voorjaar 2014 online per sector op de MVO navigator bekijken.

Recht halen

Een groot probleem voor de slachtoffers van landroof is de gebrekkige rechtstoegang, zowel lokaal als internationaal. Aangezien lokale rechtspraak vaak slecht toegankelijk is, vraagt de nieuwe woordvoerder Roelof van Laar (PvdA) of de minister de mogelijkheden  wil onderzoeken om een internationaal juridisch klachtenmechanisme in Den Haag op te richten. Minister Ploumen wijst op het Nationaal Contactpunt voor OESO-richtlijnen (NCP) dat meldingen van schendingen van de richtlijnen door Nederlandse bedrijven kan behandelen. Van Ojik merkt op dat  het kwaad vaak al geschied is als er een klacht wordt ingediend. Hij houdt daarom een pleidooi voor een onafhankelijke toezichthouder naar het voorbeeld van het Inspectiepanel van de Wereldbank. Het Inspectiepanel kan namelijk ook klachten behandelen voorafgaand aan of tijdens een project. Minister Ploumen herkent het door Van Ojik geschetste beeld dat veel projecten die er op papier mooi uitzien  in de praktijk nog al eens tegenvallen. Ze noemt de aanleg van de Barro Blanco Dam in Panama, waar FMO voor 25 miljoen euro in zit, als voorbeeld. De minister probeert de linkse partijen gerust te stellen door te verzekeren dat de Nederlandse overheid en FMO projecten vanaf het begin monitoren. Daarnaast stelt FMO voor het einde van het jaar een klachtenmechanisme in.

Positieve gidsrol

Eric Smaling (SP) vraagt aandacht voor de Behind the Brands ranglijst van Oxfam Novib, dat het MVO-beleid van grote voedselbedrijven beoordeelt. De  ranglijst laat over het algemeen  een verbetering zien, maar op het thema ‘land’ wordt nog steeds slecht gescoord. Smaling vindt dat de overheid meer kan doen om de positieve gidsrol van Nederlandse bedrijven waar in de brief over gesproken wordt concreet te maken. Hij denkt hierbij onder andere aan het screenen van bedrijfsvoorstellen en toezicht op  contracten tussen kleine boeren en voedselbedrijven. Zoveel overheidsbemoeienis doet De Caluwé huiveren: in haar interruptie geeft ze aan dat de VVD de overheid het liefst buiten private transacties  houdt. Liever ziet ze dat de minister zich focust op het versterken van het kadaster in ontwikkelingslanden zelf.

Minister Ploumen sluit af door de Kamerleden te verzekeren dat ze de positieve gidsrol van het Nederlandse bedrijven niet licht opvat. Ze lijkt daarbij vooral de weg van de dialoog met het bedrijfsleven te willen bewandelen. De oppositie hengelt vanmiddag tevergeefs naar inspanningen voor meer bindende richtlijnen. In het najaar kan men het nog eens proberen als de Kamer de aangekondigde brieven over het Dutch Good Growth Fund en het bedrijfsleveninstrumentarium heeft ontvangen.

 

 

 

 

 

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
20 september 2013
Categorieën: