Ploumen: ‘Internationale organisaties vaak effectiever dan bilaterale donoren’

Internationale (hulp-) organisaties zijn vaak effectiever dan bilaterale organisaties. Dat concludeerde minister Ploumen vrijdag in een brief over de effectiviteit en de relevantie van internationale organisaties waarmee Nederland samenwerkt en waar Nederland een bijdrage aan levert. Bij een aantal organisaties, waaronder UNESCO, laat de effectiviteit echter te wensen over, zo blijkt uit een dertigtal Scorecards die het ministerie heeft opgesteld om internationale organisaties te beoordelen.

In haar brief geeft minister Ploumen aan dat uit verschillende evaluaties blijkt dat internationale (hulp-) organisaties vaak effectiever zijn dan bilaterale donoren: ‘Internationale organisaties kunnen door hun mandaten beter zorgdragen voor een integrale aanpak van grensoverschrijdende problemen – bijvoorbeeld de VN-organisaties WFP, UNHCR, UNICEF in ondersteuning van vluchtelingen.’

Als voorbeeld noemt Ploumen het recentelijk gezamenlijke optreden van de Secretaris-Generaal van de VN en de nieuwe President van de Wereldbank. Door de grote omvang van de VN en de Wereldbank kunnen schaalvoordelen worden bereikt die bilaterale donoren niet hebben, met name in de uitvoering van projecten.

Ontvangende landen zijn zelf ook vaak lid of aangesloten bij internationale organisaties. Hierdoor zijn zij medeverantwoordelijk voor programma’s of gemaakte afspraken, wat ownership bewerkstelligt, zoals Afrikaanse landen en ‘hun’ Afrikaanse Ontwikkelingsbank. ‘Internationale organisaties kunnen door hun mandaten beter zorgdragen voor een integrale aanpak van grensoverschrijdende problemen’, aldus Ploumen. Voorbeelden hiervan ziet zij in VN-organisaties WFP, UNHCR, UNICEF in ondersteuning van vluchtelingen.

Ook is de beheerslast van hulp die via internationale organisaties wordt gegeven meestal lager dan de beheerslast van hulp via bilaterale donoren. “Met dezelfde hoeveelheid  geld kunnen via  internationale organisaties meestal meer mensen worden bereikt”, aldus de minister.

In haar brief schrijft Ploumen tevens dat internationale organisaties over het algemeen effectief en relevant zijn, al ziet zij wel een paar verbeterpunten op het gebied van onderlinge samenwerking en werkverdeling tussen internationale organisaties: ‘Op dit vlak is er in de Verenigde Naties (VN) de laatste jaren wel veel verbeterd – bijvoorbeeld door de Delivering as One samenwerking tussen VN-organisaties in landen – maar er kunnen naar mijn oordeel nog meer inspanningen worden gedaan om verkokering van organisaties en versnippering van hulpgelden tegen te gaan.’ Ploumen geeft aan dat er bij de meeste organisaties hervormingsprocessen bezig zijn door het veranderende budget, maar dat er nog redelijk wat te halen valt op het versterken van de effectiviteit. ‘Alhoewel bij veel organisaties goed werk wordt verricht zal Nederland zich in zijn rol als lid, aandeelhouder of donor in de verschillende instellingen hard blijven maken voor hervormingen’, schrijft ze.

Scorecards

Ploumen kwam tot haar positieve beoordeling door organisaties aan de hand van Scorecards met elkaar te vergelijken. Dit heeft Nederland eerder in 2011 gedaan. Toen werden er 23 scorekaarten gemaakt, dit jaar zijn er in totaal 30 opgesteld. De informatie die gebruikt wordt voor het bepalen van de scorekaarten is afkomstig van rapportages en accountantsstukken van de internationale organisaties zelf, maar ook van interne en externe evaluaties en beoordelingen die gemaakt zijn door het Mutilateral Organisations Performance Assesment Network (MOPAN) en beoordelingen afkomstig van andere donorlanden. Ook informatie van Nederlandse permanente vertegenwoordigingen, kiesgroepkantoren en ambassades is gebruikt.

De scorekaart beoordeelt verschillende institutionele aspecten van de internationale organisaties. Hieronder vallen bijvoorbeeld de strategie, de effectiviteit, het personeels- en organisatiebeleid, het financiële beheer en de ontwikkelingen in de financiële positie, corruptie- en fraudebestrijding. Daarnaast wordt de samenwerking met andere organisaties en de uitvoering van beleid en beheer op landenniveau beoordeeld. Als laatste heeft het ministerie gekeken naar de beleidsrelevantie van de organisatie in het licht van de internationale ontwikkelingsarchitectuur, de geografische relevantie en de relevantie van de organisatie voor de vier speerpunten van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid en doorsnijdende thema’s van buitenlands beleid.

Opvallend in het algemene beeld van de scorekaarten van 2013 zijn de twee onvoldoendes die United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation (UNESCO) scoort. UNESCO is de gespecialiseerde organisatie van de VN voor onderwijs, cultuur, wetenschap en communicatie & informatie. Op deze terreinen speelt UNESCO een normstellende, adviserende en ondersteunende rol ten opzichte van de lidstaten. Nederland draagt hierin naast de verplichte contributie ook vrijwillig bij en is één van de grotere donoren. Met name het gebrek aan focus zou de organisatie parten spelen, wat deels voort zou komen uit het brede mandaat en deels uit de veelheid van wensen van lidstaten. ‘De samenwerking tussen de bestuurs- en beheersorganen verloopt niet altijd soepel. Het Secretariaat is vaak uitvoerder van de wensen van de lidstaten. Politisering van thema’s en comité’s neemt steeds verder toe”, aldus het rapport. Het wegvallen van de verplichte contributie van de Verenigde Staten zorgt er eveneens voor dat de organisatie er financieel slecht voor staat.

VN-Organisaties

Binnen de VN-organisaties scoren het United Nations Children’s Fund (UNICEF) en het Wereldvoedselprogramma (WFP) als enigen beiden een ‘goed’  op de twee criteria effectiviteit en relevantie. UNICEF wordt geprezen om een duidelijke focus binnen het mandaat en een grote effectiviteit: ‘Door sterke strategie, effectiviteit van bestuur- en beheersorganen, en operationele capaciteit scoort UNICEF goed op effectiviteit en uitvoering op OS- en humanitair terrein. Er is aandacht voor financieel beheer en risico management, een terrein waarop UNICEF nog bezig is verbeteringen door te voeren.’ Samenwerking met anderen zou wel verder versterkt moeten worden, vindt het ministerie. UNICEFs brede rol en inzetbaarheid maakt het tot een ‘systeemorganisatie’”. Ook het WFP krijgt een positieve beoordeling als centrale organisatie binnen de humanitaire tak van het VN-systeem.

Verder scoort binnen de VN-organisaties de Verenigde Naties Conferentie voor Handel en Ontwikkeling (UNCTAD) een onvoldoende in effectiviteit. De organisatie biedt ondersteuning in beleidsvorming op het snijvlak van handel en ontwikkeling. Daartoe biedt het een forum voor intergouvernementele beleidsdialoog en ondersteunt het onderzoek en beleidsanalyse. UNCTAD wordt met name afgerekend op het gebrek aan coherentie: ‘UNCTAD is met haar vele organen vaak inefficiënt en het gebrek aan politieke strategische sturing leidt tot incoherentie binnen de organisatie.’

Internationale Financiële Instellingen

Met betrekking tot internationale financiële instellingen springen drie organisaties er in positieve zin uit, de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD), het International Finance Corporation IFC en de Wereldbank, met name het IDA-fonds. Het mandaat van de EBRD is gericht op het bevorderen van transitie naar een open markteconomie en privaat ondernemerschap in landen van de voormalige Sovjet-Unie, Centraal- en Zuidoost Europa, Turkije en Mongolië. De EBRD wordt geprezen om haar focus en efficiëntie.

Ook de IFC werd positief beoordeeld. De IFC is onderdeel van de Wereldbank Groep en investeert direct in bedrijven en adviseert bedrijven en overheden en is gericht op het creëren van mogelijkheden voor mensen om aan armoede te ontsnappen door via private sector ontwikkeling inclusieve en duurzame groei te stimuleren. IFC is. Nederland is de tweede Trust Fund donor van de IFC. De derde internationale financiële instelling met een positieve beoordeling is de Wereldbank. Nederland droeg hier in 2012 aan bij met een bijdrage van 358 miljoen. ‘De Bank speelt een leidende rol binnen de internationale hulparchitectuur, zowel in de beleidsdialoog als op het gebied van kennis en onderzoek. De Bank heeft een sterk resultatenraamwerk en een goed functionerende evaluatiedienst. Op het gebied van samenwerking met andere organisaties in de landenkantoren is de Bank (nog steeds) eerder de lokale donorcoördinator dan een teamspeler onder leiding van andere’, aldus het rapport.

Mondiale fondsen

Met betrekking tot mondiale fondsen scoren het Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (GFATM) en de GAVI Alliance het hoogst. ‘Het GFATM heeft een helder mandaat en speelt een belangrijke rol in het behalen van de gezondheid gerelateerde MDG’s.De nieuwe strategie (2012- 2016) evenals de verwachte resultaten zijn veelbelovend.’ Het GFATM wordt gezien als een voorloper: ‘Het Global Fund positioneert zich als een internationaal partnerschap dat gestalte geeft aan OS van de 21ste eeuw.’

De GAVI Alliance heeft als mandaat het redden van kinderlevens en beschermen van de gezondheid van mensen door toegang tot immunisatie in arme landen te verbeteren. De Nederlandse bijdrage sinds 2000, het jaar van oprichting van GAVI, bedraagt 388 miljoen dollar, waarmee Nederland de vierde donateur is. Met name de sterke focus op het kernmandaat van GAVI, een armoedefocus, wordt omschreven als zeer ‘kost-efficiënt’. ‘GAVI blinkt uit in transparantie en accountability en heeft een hoge score voor evaluatie beleid, innovatie en reactie vermogen. In alle andere gebieden scoort GAVI naar tevredenheid.’ Op verschillende manier levert GAVI een bijdrage aan de MDG’s, zoals het reduceren van kindersterfte, het verminderen van moedersterfte en het tegengaan van de verspreiding van ziektes.

Invloed van bezuinigingen

Ondanks dat de meeste organisaties dus positief beoordeeld zijn, ontkomt ook het multilaterale kanaal niet aan bezuinigingen. Nederland zal haar bijdrage verminderen aan VN-organisaties als UNDP en UNICEF en ook voor de Afrikaanse Ontwikkelingsbank zal minder geld beschikbaar zijn. Tevens zal de Nederlandse bijdrage aan de Wereldbank worden verminderd.

Nederland is niet de enige die bezuinigt. De ongeoormerkte inkomsten (inkomsten die niet voor een specifiek speerpunt zijn bestemd) van veel internationale organisaties zijn gedaald. Voor een deel wordt deze daling gecompenseerd doordat donoren hogere bedragen investeren voor specifieke doelstellingen of in bepaalde landen. Ploumen geeft aan dat dit ook voor Nederland het geval zal zijn: ‘Ook Nederland zal in sommige gevallen een relatief groter deel van zijn financiële bijdrage koppelen aan de speerpunten van ons beleid. Deze oormerking vind ik verantwoord indien deze bijdrage geheel passen bij de doelstellingen en de strategie van de internationale organisatie. De Nederlandse bijdrage kan in dat geval zonder vergroting van beheerslast door de internationale organisatie worden gebruikt om haar mandaat uit te voeren.’  De nadruk zal hierbij liggen op de speerpunten water, voedselzekerheid, vrouwenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), veiligheid en rechtsorde.

Ook de bijdrage die organisaties maken aan de MDG’s en de verwachte rol in de ontwikkelingsagenda na 2015 wordt meegewogen.  ‘Organisaties die een groot deel van hun activiteiten concentreren op de speerpunten van het Nederlands beleid worden zo veel mogelijk gespaard. Internationale organisaties die nauwelijks relevantie hebben voor het Nederlands beleid en die matig functioneren, ontvangen geen Nederlandse bijdrage’, aldus Ploumen.

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
09 juli 2013
Categorieën: