Ploumens Bangladesh comité : een vrijblijvend praatgroepje?

Aanstaande zaterdag zal minister Ploumen afreizen naar Bangladesh. Zij is voorzitter van het donorcomité dat na de textielramp in Rana Plaza is opgezet. In het comité komen verschillende donorlanden samen om te bepalen hoe Bangladesh na de (zoveelste) ramp het best gesteund kan worden. Wat zijn de verwachtingen? Bram van Ojik (GroenLinks), Christa de Bruin (Schone Kleren Campagne) en Janet Mensink (textielexpert bij Solidaridad) vertellen.

Minister Ploumen kondigde na de textielramp in Bangladesh aan direct initiatief te nemen. In de Tweede Kamer was niet iedereen zo positief over Ploumens rol in het donorcomité. René Leegte (VVD) sprak in het Algemeen Overleg op 24 mei denigrerend van een ‘praatgroepje’. Zijn partijgenoot De Caluwé deed Ploumens initiatief af als ‘het afkopen van schuldgevoel’.

De kritiek kwam echter niet alleen ‘van rechts’. Ook GroenLinks-voorman Bram van Ojik was kritisch op Ploumens plannen. Hij vindt dat zij – in plaats van rondetafelgesprekken te organiseren – beter harde verplichtingen aan bedrijven kan stellen. Aangezien een internationale wetgeving aangaande eerlijke textielhandel ontbreekt, is de kans op mislukking groot, vindt hij.

Incidentele oplossingen voor incidentele belangen

Van Ojik: ‘Natuurlijk vind ik het goed dat de minister er bovenop is gesprongen en dat er gepraat wordt over de problemen in de textielsector. Er kan daar een hoop verbetering geboekt worden.’ Waar Van Ojik echter moeite mee heeft, is dat de aanpak van Ploumen een ‘incidentele oplossing voor een incidenteel belang’ is.

Een structurele aanpak ontbreekt, vindt Van Ojik. Hij gelooft dat Cambodja in een oogwenk het nieuwe Bangladesh kan worden, en dat de landbouw- of schoenenindustrie even snel kunnen veranderen in de nieuwe textielindustrie. Van Ojik: ‘Ploumen kan dat wat ze nu in de textielsector in Bangladesh doet niet in elk land en in elke sector doen.’ Er zouden bindende internationale standaarden moeten komen die bedrijven verplichten zich aan regels te houden, vindt Van Ojik.

Een bindend veiligheidsakkoord

Vanuit het maatschappelijk middenveld klinken er optimistischer geluiden. Janet Mensink (Solidaridad): ‘De komst van dit comité is een heel positieve ontwikkeling. Gekeken moet worden wat de partijen nodig hebben en hoe dat internationaal gecoördineerd kan worden. Wie gaat wat waaraan bijdragen? Duidelijk is dat er allerlei veranderingen moeten komen in de textielfabrieken.’

Ook Christa de Bruin (Schone Kleren Campagne) is erg verheugd met het initiatief. Volgens haar zit er bovendien een bindend element in. Ze benadrukt hoe waardevol het is dat de minister haar steun heeft betuigd aan het Bangladesh veiligheidsakkoord. Dit is een bindend akkoord tussen vakbonden, ngo’s en inmiddels veertig kledingmerken. Beetje bij beetje komen er nieuwe bedrijven bij – zoals Puma deze week, vertelt De Bruin. ‘Het is een ambitieus programma’, zegt ze. Bedrijven die het akkoord ondertekenen, committeren zich aan een tweejarig programma, waarin ze onderworpen zullen worden aan onafhankelijke inspecties en publieke rapportages. Een gezondheids- en veiligheidscomité wordt aangesteld. Bengaalse arbeiders krijgen het recht om werk te weigeren. Vakbonden krijgen een meer centrale positie toebedeeld. ‘Bedrijven kunnen niet om die clausules heen’, voegt Janet Mensink (Solidaridad) toe.

Ploumen: minister en donorcoördinator

Ook al heeft de minister haar steun uitgesproken voor het akkoord, het is nog niet duidelijk op welke manier ze de clausules uit het akkoord zal meenemen in haar functie als voorzitter van het donorcomité. ‘Het veiligheidsakkoord (gesteund door minister Ploumen) staat in principe los van het beleid van de donorcommissie (voorgezeten door commissielid Ploumen)’, vertelt Mensink.

Desalniettemin gaat Mensink ervan uit dat het budget van 9 miljoen euro dat de minister beschikbaar heeft gesteld in overeenstemming zal zijn met de conclusies van het veiligheidsakkoord. Ook De Bruin vertrouwt op Ploumen als donorcoördinator: ‘Het feit dat ze in de hoedanigheid van minister haar steun heeft uitgesproken voor het veiligheidsakkoord is een belangrijk publiek signaal’.

Precedentwerking

‘Natuurlijk is er veel te doen’, zegt De Bruin als reactie op Van Ojiks kritiek. ‘Maar ik geloof dat het veiligheidsakkoord een precedentwerking kan hebben.’ Mensink sluit zich hierbij aan: ‘Ploumens initiatief werkt als versnelling van alle hervormingen die in de textielsector moeten plaatsvinden.’

Anders dan Van Ojik denkt De Bruin niet dat in omliggende landen ‘Bengaalse toestanden’ zullen ontstaan wanneer de arbeidsomstandigheden in Bangladesh – ofwel door het donorcomité, ofwel door het veiligheidsakkoord – zullen verbeteren. De Bruin: ‘wat ten grondslag ligt aan het veiligheidsakkoord zijn de conventies van de International Labour Organisation (ILO). Deze zelfde conventies worden ook toegepast in bijvoorbeeld Pakistan.’ Geslaagd beleid kan zo gekopieerd worden naar andere landen, stelt ze.

Aandachtspunten

Wat er concreet zal gebeuren in het donorcomité is echter nog niet geheel duidelijk. Ploumen heeft onlangs in een Kamerbrief uitstel gevraagd voor de concrete uitwerking van haar plannen. Aanstaande zaterdag zal ze naar het land reizen waar ze verder met de regering van Bangladesh zal overleggen over de aanpak van de misstanden.

Waar moet Ploumen als voorzitter van het donorcomité op letten om hun missie te doen slagen? Janet Mensink: ‘Een verhaal over lonen, vrijheid van vakbonden en personeelsmanagement moet geïntegreerd worden in de aanpak van het comité. Het probleem in de textielindustrie hangt samen met een breder sociaal vraagstuk. Daarnaast moet de Bengaalse overheid betrokken worden bij de aanpak: uiteindelijk zal zij haar wetgeving moeten aanpassen. Ten slotte is er ook nog een economisch aspect: de textielsector moet vitaal blijven en als motor voor de economie kunnen blijven fungeren. Juist de combinatie van hulp en handel werkt hier in haar voordeel.’

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
14 juni 2013