Hans Beerends: ‘Twitteraars en facebookers helpen vaak eerder uit jeugdige jovialiteit dan uit ideologische solidariteit’

Morgen wordt het nieuwste boek van Hans Beerends (81) ‘Tegen de draad in’ gepresenteerd tijdens het solidariteitsdebat van de Evert Vermeer Stichting. Hans Beerends is icoon van de derdewereldbeweging die in de jaren zestig ontstond. In zijn boek beschrijft hij hoe mondiale betrokkenheid onderdeel was – en nog steeds is – van de Nederlandse samenleving. Hoe kijkt hij terug op de begindagen van de georganiseerde mondiale solidariteit? En wat vindt hij van de betrokkenheid van de huidige generatie?

‘Remco Campert schreef een gedicht met de titel: “Verzet begint niet met grote woorden.” In de laatste strofe schrijft hij waar dat verzet dan wel mee begint, namelijk met “jezelf een vraag stellen en dan die vraag aan een ander stellen”.

Dat gebeurde bij mij ook. Ik ben in de jaren dertig geboren en heb de jaren veertig en vijftig meegemaakt als brave jaren, waarin ik en de meeste generatiegenoten van mij helemaal niet zo veel kritiek hadden op de maatschappij en de autoriteiten. De oorlog was afgelopen, we hadden allemaal te eten en de sigaretten waren weer van de bon. Voor mij kwam de breuk in de jaren zestig met de oorlog in Vietnam.

Toen de Amerikaanse bombardementen op Vietnam maar doorgingen en de politiek en de kerken in Nederland daar eigenlijk geen bezwaar tegen hadden en deze de bombardementen zelfs goed praatten als noodzakelijk in de strijd voor de vrijheid, dacht ik bij mezelf: die lui deugen niet.

Een tweede moment was de actie “Eten voor India” van Novib in 1966. Het was de eerste televisieactie in Nederland om geld op te halen voor een hongersnood. Natuurlijk gaf ik geld, maar ik was tegelijkertijd zeer verbaasd. Als jongen had ik de hongerwinter meegemaakt. Op 5 mei 1945 was de bevrijding geweest en op 6 mei hadden we allemaal weer te eten. Voor mijn idee was er honger als een land bezet werd door een vijandelijke macht. In India was echter geen oorlog en ook geen vijandelijke macht. Hoe kan dat nu, vroeg ik me af? Ik ging me verdiepen in het onderwerp door er veel over te lezen en zo kwam ik er gaandeweg achter dat de internationale handelsstructuren negatief uitpakten voor ontwikkelingslanden.’

Rietsuikeractie

‘Een van de publicaties die ik las was het boekje “Riet” van Piet Reckman over rietsuiker. Daarin werd beschreven hoe het kon dat een pond rietsuiker een kwartje op de wereldmarkt kostte, maar dat je er in de winkel in Nederland 1,25 gulden voor betaalde. Het enige doel daarvan was om de prijs hoger te houden dan de bietsuiker van de Nederlandse boer. Er werden heel bewust tariefmuren opgeworpen waardoor de boeren uit ontwikkelingslanden geen kans kregen.

Voor producten als koffie- en cacaobonen gebeurde hetzelfde: ze mochten wel als ruwe grondstoffen worden geëxporteerd, maar zodra ze bewerkt werden tot echte koffie of chocoladerepen, dan kwamen er tarieven op. De eye-opener voor mij was dat mensen in de derde wereld niet dom of lui waren, zoals toen soms werd beweerd, of dat er een tekort of een teveel was aan water in die landen, maar dat er wettelijke maatregelen bestonden die ooit genomen waren ter bescherming van onze eigen industrie en landbouw, en dat deze maatregelen ten koste gingen van andere mensen.

Ik heb me aangesloten bij de rietsuikeractie en voelde me aangesproken door een idee van journalist Dick Scherpenzeel. Scherpenzeel was teruggekomen van de Unctad-conferentie in 1968, waarin de arme landen zeiden: “Houden jullie je ontwikkelingshulp maar, geef ons de mogelijkheid om te exporteren.” Dat wilden de rijke landen echter helemaal niet. Ze wilden wel hulp geven, maar geen eerlijke kansen op de wereldmarkt.

Als een soort van symbolisch gebaar riep Dick Scherpenzeel op tot het oprichten  van Derdewereldwinkels om producten uit ontwikkelingslanden te verkopen. In april 1969 ging de eerste wereldwinkel in Breukelen open, in de zomer van dat jaar richtte ik samen met anderen de wereldwinkel in Amsterdam op, en in november hebben de eerste tien wereldwinkels een organisatie opgericht die later de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels ging heten. Van 10 wereldwinkels groeiden we in twee jaar naar 200 winkels en in 1974 kregen we subsidie, waardoor ik mijn baan als chef van de stadskwekerijen in Amsterdam kon opzeggen en landelijk coordinator werd van de Vereniging van Wereldwinkels.’

Mobilisatiekracht

‘De jaren zestig waren de jaren van provo, de hippies en het opkomende feminisme. Hun idealen waren vooral gericht op zelfontplooiing. In de jaren zeventig brak het militante politieke activisme door. Er waren natuurlijk overlappingen, maar solidariteitsacties legden het accent veel minder op zelfontplooiing en vooral op de ondersteuning van de georganiseerde strijd in de derde wereld. Er kwam een enorme

mobilisatiekracht, vooral bij jongeren, om zich te keren tegen de onderdrukking in Zuidelijk Afrika en Latijns-Amerika: dat waren de twee grote trekpleisters van de solidariteitsbeweging. Zaken als verlaging van tariefmuren spraken veel minder aan. Ook bij de Wereldwinkels waren we daarom veel meer doorgeefluiken en lokale actiecentra voor de grote campagnes van de landencomités.

Naast de spraakmakende solidariteitsacties had je nog een andere stroming binnen de derdewereldbeweging, die vooral door de NCO, de vroegere NCDO, gestimuleerd werd. Hierin stond de bewustwordingskant centraal. De NCO subsidieerde overal in het land vormingswerkers die de mensen “bewust” moesten maken. Niet alleen bewust van de ellende in de derde wereld, maar een soort totaal bewustzijn over je min of meer ondergeschikte situatie op je werk, op je school, in je buurt of in je relatie. Het idee hierachter was dat als Nederlandse burgers zich bewust waren van hun eigen ondergeschikte positie ze vanzelf empathie zouden voelen voor de derde wereld omdat de ongelijkheidsstructuren daar nog veel groter waren. Het was een soort opvoedkunde waar ik zelf nooit zo in geloofd heb. Ik vond dat acties primair gericht moesten zijn op solidariteit met de derde wereld.

Bij de wereldwinkels hebben deze twee stromingen eind jaren tachtig tot een richtingenstrijd geleid. De NCO had negen vormingswerkers gesubsidieerd bij de wereldwinkels, allemaal afkomstig uit het welzijnswerk. De richtingenstrijd werd vooral toegespitst rond de oprichting van Max Havelaarkoffie. In de wereldwinkels werd solidariteitskoffie verkocht die afkomstig was van kleine boeren uit ontwikkelingslanden. Max Havelaar wilde dat groter aanpakken en de koffie ook gaan verkopen in de supermarkten. Ik was daar een groot voorstander van, mits er maar een politieke boodschap op het pak stond. De echte vormingswerkers vonden dat maar niks en waren daar tegen. Zij zeiden: “Iemand komt in de supermarkt, rekent de koffie af en gaat weer weg. In de wereldwinkel gaat de wereldwinkelier bij het afrekenen een praatje met de klant maken en je vertellen over de positie van kleine boeren in ontwikkelingslanden.”

Er ging kortom een politiek bewustmakende boodschap uit van de wereldwinkelverkoper naar de klant. Ik was het daar op zich wel mee eens, maar vond dat honderd pakken heel bewust verkochte koffie in de wereldwinkel niet opwogen tegen tienduizend mensen in de supermarkt die misschien een klein beetje bewust werden.’

Chili en Zuid-Afrika

‘Het mooie aan de jaren zeventig en tachtig vond ik dat de publieke opinie in Nederland het stapje voor stapje meer met ons eens werd. In steeds bredere kringen werd er schande gesproken over wat er gebeurde in bijvoorbeeld Chili of Zuid-Afrika. Dat was voor die tijd helemaal niet vanzelfsprekend. Tot in brede politieke kringen heette apartheid nog “gescheiden ontwikkeling”. Er bestond zeker in Nederland een grote verdediging van de apartheid die langzaamaan ondermijnd werd door de anti-apartheidsorganisaties.

Het heeft bijvoorbeeld heel lang geduurd, wel tot halverwege de jaren zeventig, voordat de PvdA zich echt keerde tegen de apartheid. Ook met Vietnam duurde het heel lang. Veel christenen rechtvaardigden de oorlog als strijd tegen het communisme. Maar toen er zelfs met Kerstmis gebombardeerd werd, begonnen zij ook die vraag aan zichzelf te stellen, en aan een ander. Wat begon als beweging waar in eerste instantie alleen kleine linkse politieke partijen het mee eens waren, drong stapje voor stapje door naar gematigd links en uiteindelijk ook naar gematigd rechts. De traditionele vanzelfsprekendheden waren niet meer te handhaven.

Ik denk dat de acties van mijn generatie als een koevoet in de Nederlandse samenleving hebben gewerkt. Na zo’n koevoetperiode ontstaat altijd een nieuwe vanzelfsprekendheid. Mensen vinden het nu ongehoord dat er kleren verkocht worden waar kinderarbeid aan te pas is gekomen, dat er bossen afsterven of dat het milieu naar de klote gaat. Als een kledingbedrijf als H&M nu negatief in het nieuws komt vanwege kinderarbeid, wordt er razendsnel gereageerd en door het bedrijf zelf een onderzoek ingesteld. Vroeger zou het ontkend of verdedigd worden.

Verder is ook het argument van eigenbelang belangrijk geworden. Als er niet meer rechtvaardigheid op de wereld komt, krijg je sowieso meer onevenwichtigheid. Dat leidt tot sociale opstanden, onrust en milieuvernietiging. Dit is ook niet in het belang van de groep die het thans voor het zeggen heeft. De bovenliggende groep zal altijd proberen haar belangen te beschermen. Maar een onderdeel van die bescherming is ook geworden dat ze onevenwichtigheid niet tot in het uiterste zal willen doordrijven. Het bedrijfsleven wil geen sociale opstanden maar wil wel graag koopkracht.

De noodzaak van belangenbescherming van de heersende groep schept tegelijkertijd kansen voor de onderliggende groep. En hoe meer eisen de onderliggende groep stelt of druk uitoefent, hoe eerder die bovenliggende groep tot compromissen bereid is. De functie van een mondiale beweging is om in samenwerking met kritische groepen in de derde wereld dit proces te versnellen.

De ontwikkeling van de nieuwe media vind ik fantastisch. Er is een nieuwe internationale vanzelfsprekendheid ontstaan van facebookers en twitteraars die een betere wereld willen en elkaar met kleine dingen gaan helpen. Niet uit ideologische solidariteit, maar eerder uit jeugdige jovialiteit.’

Passie en gedrevenheid

‘Ik denk dat we van elkaar kunnen leren. Wat de jonge idealisten denk ik van mijn generatie kunnen leren is de passie en gedrevenheid waarmee we ons hebben ingezet. We werden geraakt door onrecht en wilden daar volop tegenaan gaan. Het raakte ons zo dat we het niet meer los konden laten. Die gedrevenheid mis ik soms wel een beetje bij de nieuwe generatie idealisten. Zij zijn tegelijkertijd toch ook heel nadrukkelijk met hun eigen carrière bezig en ook niet vies van materialisme.

Wat mijn generatie van de jonge idealisten kan leren is een wat nuchtere en pragmatische analyse van de werkelijkheid. Een benadering van het probleem en het zoeken naar oplossingen zonder de wijze waarop mijn generatie actievoerders onze tegenstanders op een emotioneel en moralistische wijze betichtten. De nieuwe generatie is zakelijk, redelijk en verstandig. Wij zagen tegenstanders al gauw als schoften en stonden direct klaar om de schuldigen aan te wijzen. Je kunt ook kwaad zijn over een situatie zonder meteen een dader aan te wijzen. Maar ook hier geldt dat het ene niet zonder het andere kan. De koevoet is eerst nodig, voordat de schaaf gehanteerd kan worden.

Als jongeren echt geraakt worden door het onrecht in de wereld, kan ik ze uit eigen ervaring aanraden daar iets mee te gaan doen. Anders blijf je met frustraties en een gevoel van machteloosheid zitten. Het heeft mij een zekere voldoening gegeven dat ik in mijn leven een bijdrage heb kunnen leveren, hoe bescheiden dan ook, aan een ontwikkeling die gericht was op meer rechtvaardigheid, minder armoede en een perspectief naar verbetering.’

Dit artikel verscheen eerder in Vice Versa 4 van 2011.

Als u nu een abonnement neemt op Vice Versa, krijgt u het boek van Hans Beerends er gratis bij!

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
13 juni 2013
Categorieën: