Welke handel is vies en welke niet?

Afgelopen maandag suggereerde de Volkskrant een omslag in denken bij ontwikkelingsorganisaties als het gaat om de rol van het bedrijfsleven. Maar volgens Hans Beerends is het artikel een schoolvoorbeeld van de verwarring die al maanden heerst over het debat over hulp en handel.

‘Handel is geen vies woord meer’ kopt de Volkskrant op maandag 22 april. Volgens verslaggeefster Natalie Righton hebben ontwikkelingsorganisaties eindelijk het licht gezien.

Waren ze twee weken geleden nog verontwaardigd over de plannen van minister Ploumen, nu zien zij ineens wel een rol voor het bedrijfsleven in arme landen. Kop en onderkop suggereren een omslag in denken.

Als je het artikel echter verder leest blijkt dat ontwikkelingsorganisaties niets anders zeggen dan dat zij al jaren samenwerken of trachten samen te werken met het bedrijfsleven en dat deze samenwerking vaak vruchtbaar is. Genoemd wordt o.a de samenwerking van ICCO met Ahold en de campagne ‘Make Trade Fair’ van OxfamNovib. Voor de niet ingewijde lezer lijkt het of ontwikkelingsorganisaties eindelijk wakker geschud zijn en nu uit de kast komen met de erkenning dat zij al jaren doen wat Ploumen nu als beleid voorstaat.

Verwarring

Het hele artikel is een voorbeeld van de verwarring die al maanden heerst over wat er nou wel en wat er nou niet vies is aan handel. Vanaf het begin hebben praktisch alle ontwikkelingsorganisaties betoogd dat Nederlandse investeringen die in arme landen werkgelegenheid scheppen, geen inheems bedrijf wegconcurreren en de winst opnieuw in het betreffende land investeren, een positieve bijdrage leveren.

Ook het bevorderen van de export van arme landen is een goede zaak (Trade not Aid). Waar men terecht wel bang voor is dat Ploumen investeringen en handel van Nederlandse bedrijven gaat financieren die vooral voordelig zijn voor onze economie.

Rene Grotenhuis van Cordaid vindt dat de ‘ontwikkelingssamenwerking nieuwe stijl’ van Ploumen de sector uit een dreigend isolement haalt. Als het dan zoveel beter gaat in die middeninkomenslanden, eindigt het artikel, waarom is hulp dan nog nodig? Omdat, zo zegt Grotenhuis, de overheid aldaar niet altijd goed voor haar burgers zorgt. Als je ziet, zo vervolgt hij, dat je buurman niet goed voor zijn kinderen zorgt moet je toch ook ingrijpen.

Spijker op de kop slaan

Grotenhuis slaat met dit voorbeeld wellicht onbedoeld de spijker op de kop. De kritiek op Ploumen is niet dat zij kijkt hoe je handel en hulp op een positieve wijze zou kunnen bevorderen. Critici zijn terecht bang dat zij handel gaat voeren met de boze buurman en dat ze de kinderen ondertussen laat opvangen door liefdadige instellingen.

Hans Beerends (1931) was medeoprichter en coördinator van de wereldwinkelbeweging en voorzitter van het milieu/derde wereldsamenwerkingsverband ‘Honger Hoeft Niet.’ Binnenkort verschijnt van zijn hand het boek ‘Tegen de draad in –een beknopte geschiedenis van de (derde) wereldbeweging.’ Eerder schreef hij de boeken De Nederlandse ontwikkelingshulp in discussie (1977), Dertig jaar Nederlandse Ontwikkelingshulp (1981), De derde wereld beweging (1993), Weg met Pinochet –een kwart eeuw solidariteit met Chili (1998) en De Bewogen Beweging –een halve eeuw mondiale solidariteit (2004, samen met Marc Broere).

 

 

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
25 april 2013