Niet waarom, maar hoe: verstandig zakendoen in Afrika

Minister Ploumen wil graag business stimuleren in Afrika, maar hoe gaat zakendoen in Afrika nu precies in z’n werk? Onlangs is het boek ‘Doing business in Africa – A strategic guide for entrepreneurs’  verschenen dat relevante inzichten biedt en ook voor ngo’s relevant is. In een interview lichten schrijvers Marjolein Lem en Rob van Tulder het boek toe en schijnen hun licht op de actuele plannen uit het ontwikkelingsbeleid.

In veel Afrikaanse landen is de afgelopen jaren de politieke en economische stabiliteit flink toegenomen. Zozeer zelfs dat de term ‘ontwikkelingslanden’ uit de mode raakt en landen als Nigeria, Kenia, Ethiopië, Rwanda en Tanzania steeds vaker worden geroemd als ‘opkomende economieën’.  Niet de vraag ‘moet ik zaken doen in Afrika’, maar ‘Hoe doe ik zaken in Afrika?’ staat daarom centraal in de onlangs verschenen publicatie ‘Doing business in Africa – A strategic guide for entrepreneurs’. Het boek is volgens twee van de drie auteurs  – prof. Rob van Tulder van de Erasmus Universiteit en Marjolein Lem van Berenschot –  zeer relevant voor de OS-sector. Hun betoog: Bedrijven die het meest succesvol zijn in Afrika, passen inclusieve bedrijfsmodellen toe. Ze zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheden en werken nauw samen met maatschappelijke organisaties. Dit biedt kansen voor ngo’s om hun impact te vergroten.

In veel Afrikaanse landen is de afgelopen jaren de politieke en economische stabiliteit flink toegenomen.  Lem: ‘De risico’s om te ondernemen in Afrika worden steeds beter beheersbaar. De beeldvorming loopt daar alleen niet mee in de pas. De indruk bestaat nog steeds dat alle Afrikaanse landen enorm corrupt, armoedig en instabiel zijn, een beeld dat mede is gevormd door jarenlange negatieve berichtgeving welke soms gevoed werd door ngo’s.

Sub-Sahara Afrika bestaat echter uit 49 landen. Daarvan zijn er circa tien echt problematisch. Een groot aantal  is sinds de jaren negentig aan een positieve opbouw bezig, dat onder andere heeft geleid tot  steeds stabielere administratieve en democratische structuren.’

Van Tulder voegt toe: ‘Speciaal voor dit onderzoek hebben we een door ons bedacht instrument verder ontwikkeld waarmee we de  ‘afstand’ tussen Nederland en individuele  Afrikaanse landen op een groot aantal indicatoren meten. De (gewogen) relatieve afstand geeft  een indicatie van het risico wat ondernemers lopen. Het blijkt dat investeren in Kaapverdië, Botswana of Tanzania evenveel risico’s met zich meebrengt als bijvoorbeeld in China. Het risicoprofiel van Niger en Angola is lager dan voor India. Ondernemen in Afrika is daarmee in veel opzichten te vergelijken met ondernemen in andere opkomende markten, en kent zelfs een aantal belangrijke voordelen in vergelijking met de BRIC landen waar nu zoveel aandacht naar uitgaat.’

Wat zijn dat voor voordelen?

Lem: ‘Nederland heeft een lange handelshistorie en maatschappelijke betrokkenheid in Afrika. Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zijn in ongeveer elk Afrikaans dorp te vinden. Mede daardoor hebben wij veel kennis opgebouwd van dit continent. Bovendien is Afrika onze achtertuin, in veel opzichten dichterbij dan Zuid-Amerika en Azië. Op veel plekken wordt Engels en Frans gesproken, we zitten in dezelfde tijdszone, en als overblijfsel van het Europese koloniale verleden lijken Afrikaanse rechtssystemen veel meer op de onze dan bijvoorbeeld de Chinese of Braziliaanse. Onze uitgangspositie is kortom gunstig. Maar die moeten we dan wel systematischer en intelligenter benutten, voordat buitenlandse spelers uit opkomende markten Afrika al hebben veroverd.’

Van Tulder: ‘Met name de Chinese ondernemers en in mindere mate Indiase en Braziliaanse ondernemingen timmeren – soms letterlijk – hard aan de weg in Afrika. Het aandeel van Europa in de wereldwijde handel met Afrika is in de laatste twintig jaar geslonken van 50% (990) tot minder dan een kwart. Dat is een serieuze verandering. Bedrijven uit deze landen hebben minder last van negatieve percepties over Afrika (als hopeloos continent); ze kennen Afrika een belangrijke en aparte plaats toe in hun strategieën; ze zijn vast van plan om voet aan de grond te krijgen in Afrika, en krijgen veel (financiële) steun van hun overheid op een manier die veel Afrikaanse overheden als minder bedreigend dan ontwikkelingshulp ervaren. We betogen echter dat Nederlandse ondernemingen die hiermee concurreren, niet het Chinese model moeten kopiëren, maar juist een eigen model ontwikkelen.’

Hoe zou dat model er volgens jullie uit moeten zien?

Van Tulder: ‘Het blijkt  van belang dat Nederlandse ondernemers zogenaamde ‘inclusieve’ bedrijfsmodellen ontwikkelen. Deze modellen vragen om een lange termijn visie, duurzame investeringen, lokale aanwezigheid en samenwerking met lokale partijen, ook met niet-markt partijen.  Dit versterkt hun legitimiteit, oftewel license to operate. We  hebben middels de eerste representatieve enquête onder ondernemers in Afrika uitgevonden dat veel Nederlandse ondernemers daar over het algemeen ook toe bereid zijn. Echter,  lang niet iedereen weet hoe dat te doen. Enige  hulp is daarbij op z’n plaats.’

Lem vult aan: ‘Heel concreet betekent het dat Nederlandse ondernemingen veel meer met Afrikaanse ondernemingen partnerschappen aangaan, veel lokale werknemers – ook op hogere posities – in dienst nemen en het product aanpassen aan wat de klant vraagt. Daarnaast blijkt samenwerken met maatschappelijke organisaties en overheden een belangrijke randvoorwaarde optimale. Armoede en onveiligheid zijn net zo problematisch voor bedrijven als voor ngo’s. Voor ondernemingen die echt in Afrika willen blijven, vormen deze issues bedrijfsrisico’s waarvoor slimme oplossingen gevonden moeten worden. Gezien de complexiteit van de uitdagingen in Afrika, kunnen bedrijven dat echter doorgaans niet alleen. ‘

In hoeverre hanteren Nederlandse bedrijven nu al dat soort innovatieve, duurzame modellen?

Van Tulder: ‘Bedrijven die al lang in Afrika actief zijn, zoals Unilever, Heineken , Philips of Friesland Campina, zijn absolute koplopers op dit gebied. Hun bedrijfsresultaten laten zien dat inclusive business in Afrika werkt. Grote Nederlandse ondernemingen die vooral vanwege de grondstoffen in Afrika zitten – zoals Shell – kennen veel meer problemen. Een recent overzicht van de grootste Nederlandse ondernemingen laat zien dat vooral die ondernemingen winst maken die serieus in ‘opkomende markten’ hebben geïnvesteerd  Zij profiteren van de groei in die markten. Het is daarmee spijtig dat het merendeel van Nederlandse ondernemingen nog niet echt in Afrika durft te investeren.  Degene die dat wel hebben gedaan blijken over het algemeen positief en willen graag uitbreiden. Meer dan 50 procent van de door ons onderzochte bedrijven heeft verder al actieve en positieve ervaringen met samenwerkingsverbanden met ngo.’

Welke rol kan de overheid spelen in het bevorderen van inclusive business?

Lem: ‘Door barrières weg te nemen die bedrijven verhinderen te investeren. Er zijn nog steeds 29 landen waar Nederland geen directe diplomatieke vertegenwoordiging heeft en waar geen handelsverdragen mee zijn gesloten. Die landen zijn voor veel ondernemers no-go areas. De overheid heeft een belangrijke rol in het verbeteren van het ondernemingsklimaat, bijvoorbeeld door het bevorderen van regionale integratie en verbeteren van toegang tot financiering. Meer handel tussen Afrikaanse landen is goed voor de economie daar, en ook aantrekkelijk voor Nederlandse bedrijven.’

Hoe verhoudt dit zich tot het revolverende fonds dat nu in ontwikkeling is?

Van Tulder en Lem samen: ‘Er is veel discussie of het fonds nou vooral het Nederlandse MKB ten goede moet komen, of het lokale bedrijfsleven.  We zien niet in waarom daar zo’n harde scheidslijn of zo’n kunstmatige tegenstelling in zou moeten worden gecreëerd  De ontwikkeling van de Afrikaanse private sector is immers ook goed voor Nederlandse bedrijven: Afrikaanse ondernemers zijn hun toekomstige afnemers, toeleveranciers of samenwerkingspartners. We denken dat het nuttig zou zijn om te proberen  die initiatieven vooral op elkaar aan te laten sluiten. Ontwikkel die sectoren waarin Nederlandse ondernemingen ook écht wat kunnen betekenen, zoals voedselveiligheid, water en energie. In ons onderzoek hebben we veel terreinen gezien waarop sterke Nederlandse ondernemingen (ook in het MKB) competenties hebben die aan kunnen sluiten bij de groeiende behoefte van het Afrikaanse midden-en kleinbedrijf.’

Welke toekomst zien jullie voor ontwikkelingsorganisaties?

Lem: ‘Armoede is steeds meer een probleem binnen landen dan tussen landen. De economische groei in Afrika heeft weliswaar een middenklasse op gang gebracht, maar ook geleid tot meer ongelijkheid tussen stedelingen en mensen op het platteland. In deze toegang- en verdelingsvraagstukken kunnen ngo’s nog steeds veel betekenen. Ook in het scheppen van voorwaarden voor economische ontwikkeling, zoals het versterken van boerenorganisaties waarvan bedrijven de producten van inkomen, spelen zij een complementaire rol. Wel geloof ik dat het steeds belangrijker wordt voor ngo’s s om te kiezen of ze een partner willen zijn voor bedrijven om gezamenlijk problemen te slechten, of dat ze de waakhondfunctie vervullen. Dit zijn verschillende rollen die andere competenties en activiteiten vragen’.

Hebben jullie tenslotte nog tips voor ondernemers en ngo’s?

Lem en Van Tulder, lachend:  ‘Die staan natuurlijk allemaal in het boek! Maar, oké  hier zijn er een paar. Voor ondernemers:

– Durf lokaal aanwezig te zijn, als je je blijvend concurrerend wil zijn;

– Maak van je zwakte een kracht: excelleer in maatschappelijk verantwoord ondernemen, dat betaalt zich uiteindelijk altijd uit

– Bed je Afrika-activiteiten in een bredere strategie en zet je beste mensen in om het voor elkaar te krijgen; denk na over strategische partnerschappen met maatschappelijke organisaties en overheden.

En voor de OS-sector:

– Kies je niche, zorg dat je in 3 zinnen kunt uitleggen wat je te bieden hebt;

– Neem mensen in dienst die begrijpen dat blijvende duurzaamheid ook  vaak een marktcomponent heeft; denk dus na over  samenwerken met bedrijven die serieus ‘inclusieve groei’ najagen;

– Richt je op gedeelde belangen, in plaats van op waarden of standpunten

– Wees selectief in het aangaan van partnerschappen, doe het alleen als het echt past bij je strategie en identiteit.’

Het boek ‘Doing Business in Africa – A strategic guide for entrepreneurs’ is het resultaat van de samenwerking tussen management adviesbureau Berenschot, het Partnerships Resource Centre van Rotterdam School of Management (RSM) en het Netherlands-African Business Council (NABC). Dit boek bestellen? Dat kan voor 27,50€ bij www.nabc.nl

 

Over de auteurs:

Marjolein Lem en Kim Geleynse zijn senior consultant bij Berenschot International m.lem[a]berenschot.com / k.geleynse[a]berenschot.com

Rob van Tulder is professor International Business-Society Management en directeur van het Partnerships Resource Centre (PRC) van de RSM Erasmus Universiteit rtulder[a]rsm.nl