Nederland ‘exporteert’ nu al ervaringen met fondsenwerving

Vorige week pleitte Marjolein de Rooij er op de site, voormalig woordvoerder van Minister Koenders en adviseur op het gebied van internationale fondsenwerving, voor om van ‘de unieke Nederlandse kennis’ op het gebied van fondsenwerving een ‘exportproduct’ te maken. Meerde organisaties zijn hier al mee bezig. Gisteren deelde Bob van Dillen van Cordaid zijn ervaring op dit gebied. Vandaag Fabio Poelhekke, beleidsmedewerker bij Wilde Ganzen.

Het is altijd een genoegen om te lezen dat je bezig bent met werk dat deskundigen uitermate belangrijk vinden. Marjolein de Rooij, voormalig woordvoerder van Minister Koenders en adviseur op het gebied van internationale fondsenwerving, pleit ervoor dat we van ‘de unieke Nederlandse kennis’ op het gebied van fondsenwerving een ‘exportproduct’ gaan maken, net als watermanagement en mensenrechten (Vice Versa Online 2 April 2013). Wilde Ganzen is hier sinds 2006 al mee bezig.

Ontbrekend instrument

Waar kwam het idee om fondsenwerving binnen bepaalde ontwikkelingslanden te stimuleren vandaan? Door jarenlange samenwerking met veel Nederlandse Particuliere Initiatieven die in opkomende economieën als India, Brazilië, Zuid-Afrika en Kenia (om er enkele te noemen) kleine projecten met en voor de armen tot stand helpen brengen, gingen wij ons realiseren dat hun steun weliswaar belangrijk, maar niet voldoende is.

Waarom hielden de middenklasse en de rijken, en ook de eigen overheid, zich schijnbaar zo afzijdig? Wat hield hen tegen om ook mee te werken aan een betere toekomst van ‘hun eigen’ armen? Waarom lukte het de particuliere groepen in Nederland wél om geld te werven voor projecten overzee, en leek dat in ontwikkelingslanden niet mogelijk te zijn?

Het is natuurlijk niet zo dat arme mensen in middeninkomenslanden altijd en overal aan hun lot worden overgelaten. Er wordt op traditionele en informele wijze voor de armen ‘gezorgd’: door middel van steun aan familie- of clanleden, cliëntelisme, zeer laagbetaalde baantjes. Maar dit zijn allemaal zaken die niets met ontwikkeling of emancipatie van de armen te maken hebben. De armen blijven in een situatie van afhankelijkheid, en zij krijgen niet de instrumenten om zich hier aan te ontworstelen. Wat hier ontbreekt is een instrument waarin bijdragen van welgestelden bewust aangewend worden om ‘de armen’ te helpen bij hun eigen inzet om hun armoede en afhankelijkheid te verminderen.

Action for Children

Het programma Action for Children dat in 2006 binnen Wilde Ganzen ontwikkeld werd en voor de periode 2007 t/m 2015 mede door de Nederlandse overheid gefinancierd wordt, is zo’n instrument. Vier grote, gerenommeerde ngo’s: CESE in Brazilië, SMILE in India, Soul City in Zuid-Afrika en KCDF in Kenia, hebben Action for Children toegevoegd aan hun bestaande pakket van activiteiten met en voor arme groepen. Eerst experimenteel, tegenwoordig als geïntegreerd deel van hun core business.

Hoe gaat Action for Children (AfC) in zijn werk? Er zijn drie hoofdaspecten, elk met hun eigen uitdagingen:

 a) AfC biedt aan groepen ‘armen’ aan de basis van de samenleving een bijdrage van 50% van de benodigde fondsen voor kleine projecten die zij zelf ontwikkelen en waar zij zelf baas over zijn. De andere 50% van het geld moeten zij zelf lokaal bijeen zien te brengen. Daarvoor krijgen zij trainingen in fondsenwerving. Soms gaat de werving snel, soms duurt het een tijdje. Maar die 50% zullen er komen: het is verbazingwekkend wat arme mensen allemaal kunnen, als het project maar echt van hen is. Los van het project an sich, is alleen al het succes van zelf fondsen werven ontwikkelingsrelevant, want het doorbreekt de afhankelijkheid.

Anderzijds is zelf fondsenwerven ook moeilijk en uitputtend. Vaak gaat het om die reden ook om kleine projecten, waar niet erg veel geld voor nodig is. Toch zijn er sinds AfC begon zo al vele honderden projecten gerealiseerd.

 b) De 50% AfC bijdrage voor deze projecten, plus de kosten van trainingen, deelname aan internationaal overleg, fondswerving, marketing en communicatie moeten op termijn helemaal door de Brazilianen, Indiërs, Zuid-Afrikanen en Kenianen zelf betaald worden. Dat vereist een complete doorbraak van de bovengeschetste traditionele mechanismen van armenzorg, die afhankelijkheid in stand houden. En dat kost heel veel overredingskracht en ook tijd.

In Nederland zijn wij al heel lang gewend om geld te geven aan ‘goede doelen’, lees: formele organisaties die wij niet persoonlijk kennen maar waarvan wij het vertrouwen hebben (mede dank zij het CBF) dat zij het goed doen. Buiten Noordwest-Europa en Noord-Amerika ligt dit echter heel anders. De vier partnerorganisaties die met AfC werken, leveren dan ook enorme inspanningen om van het concept en de praktijk van AfC een ‘brand’ te maken: een ‘merk’ dat het publiek kan vertrouwen en waar men geld aan geeft.

 c) Action for Children begon bij de vier partnerorganisaties als een experiment, maar is nu deel van hun core business. Voor een deel is dit het gevolg van het geleidelijk aan teruglopen van buitenlandse financiering voor hun andere programma’s omdat veel donoren uit Europa en Amerika steun aan ngo’s in andere (armere!) landen belangrijker zijn gaan vinden. Van ngo’s in middeninkomenslanden wordt simpelweg verwacht dat zij voortaan in eigen land aan geld zien te komen. Geheel logisch, maar de vraag is hoe? De methode Action for Children biedt ook hier in principe uitkomst, maar vergt nog wel veel inspanning en tijd.

Het is deze tijdsfactor die het nodig maakt dat AfC mede door Nederland gefinancierd wordt. Met een geleidelijk aflopende subsidie, totdat de situatie van 100% financiering in eigen land bereikt wordt. Wilde Ganzen schat dat hiervoor circa 15 jaar nodig is. Dat lijkt lang, maar is het niet, gezien de geweldige ommekeer in het denken en doen ten opzichte van de armen die AfC teweeg brengt.

Overheid

Overheden in middeninkomenslanden als Brazilië en India spelen hierbij een belangrijke rol. Het is zeker niet zo dat deze het bestaan van armoede in eigen land ontkennen. Er bestaan wetten, programma’s en fondsen die op armoedebestrijding gericht zijn (al zijn deze kwantitatief lang niet altijd toereikend).

Het echte probleem ligt in de toegang tot deze programma’s en fondsen. Hier lopen de Nederlandse particuliere initiatieven die lokale groepen in deze landen steunen, tegenaan. Ze kunnen wel helpen om de uitbreiding van een school te financieren, maar niet om tot sint juttemis de extra leerkrachten te betalen. Dat zal toch echt van de kant van de lokale overheid moeten komen. Veel plaatselijke groepen, vooral in arme gebieden, hebben veel moeite om deze overheid effectief te bereiken.

Samen met de partnerorganisaties in de landen waar AfC werkt, ontwikkelt Wilde Ganzen daarom sinds vorig jaar een programma van capaciteitsversterking voor de kleine, lokale organisaties die rechtstreeks met de armen werken, en die met projectfinancieringen gesteund worden. Het gaat daarbij vooral om versterking van het vermogen (kennis, vaardigheden, ‘durf’) om in de eigen omgeving, in eigen land, bij de overheid geld te werven, met name voor de lopende kosten (salarissen, onderhoud, etc.) van hun school of kliniek. Ook hier is sprake van het doorbreken van een ingebakken houding van ‘dit lukt toch niet’.

Daarbij ontwikkelt Wilde Ganzen nog een ander instrument: een digitaal platform dat  een leergang lokale fondsenwerving zal bevatten en duizend-en-één tips en ervaringen zal weergeven van vele groepen wereldwijd, die zich inzetten met en voor de armen. Op deze manier kan iedereen die iets aan armoedebestrijding wil doen daarvan leren en er zijn eigen ideeën, ervaringen, voorbeelden en contacten aan toe voegen. In Burkina Faso hebben wij al een voorloper daarvan gefinancierd: de website van de Assocation Burkinabé de Fundraising.

Nederlandse overheid

Het is niet goed dat de Nederlandse overheid het ‘kennisgebied’ fondsenwerving exporteert naar opkomende economieën, zoals Marjolijn van Rooij voorstelt. Dit is namelijk in de eerste plaats een taak van de Nederlandse samenleving. Waarbij het natuurlijk zeer wenselijk is dat onze overheid voor deze taak wat geld ter beschikking stelt (zoals zij sinds MFS I gedaan heeft, en vooral moet blijven doen).

Voor onze overheid blijft een heel belangrijk werkterrein over op het gebied van internationale samenwerking. In opkomende economieën gaat het vooral om het versterken van het maatschappelijk middenveld en het bevorderen, met name via het particuliere kanaal, van inkomensherverdeling. In armere landen moet zij helpen om de capaciteiten van de nationale en de lokale overheden te verbeteren.

Op die manier kunnen zij de armen en de organisaties die met hen werken en die met de wet in de hand bij hen aankloppen om te halen waar zij recht op hebben, beter van dienst zijn. Dan pas is er een match, die ontwikkeling van en door de armen echt mogelijk maakt.

Fabio Poelhekke, beleidsmedewerker Wilde Ganzen 

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
19 april 2013
Categorieën: