Column Jan Pronk – Drogreden nr. 2: Versnippering

Spreiding van ontwikkelingshulp over een groot aantal landen wordt vaak versnippering genoemd. Omdat versnippering slecht zou zijn, wordt de hulp geconcentreerd op een beperkt aantal landen. Waarom eigenlijk? In de tweede serie van Jan Pronk zijn tweemaandelijkse columns voor Vice Versa neemt Pronk de drogreden ‘versnippering’ onder de loep.

De achterliggende gedachte is dat het effect van hulp samenhangt met de schaal ervan. Er is massa nodig. Kleine beetjes helpen niet, omvangrijke hulp heeft een groter effect, zelfs meer dan evenredig. En omdat de mogelijkheden van Nederland om hulp te geven budgettair beperkt zijn, is het beter slechts een klein aantal landen daarvoor in aanmerking te laten komen.

Dit is een drogreden, in tweeërlei opzicht. Ten eerste, omdat een land doorgaans hulp ontvangt van meerdere kanten. Als de effecten van hulp samenhangen met de schaal ervan, gaat het om de het totaal aan ontvangen hulp, niet alleen hulp vanuit Nederland. Omvangrijke Nederlandse hulp aan een bepaald land, in combinatie met de hulp die dat land van anderen ontvangt, kan wel eens meer dan voldoende zijn. In dat geval zou het marginale effect van Nederlandse hulp zelfs toenemen bij aanwending in een andere richting, dus bij spreiding in plaats van concentratie.

Dat spreiding van hulp verkeerd zou zijn is nog in een ander opzicht een drogreden. Argumenten ten gunste van hulpactiviteiten op grote schaal gaan er kennelijk van uit dat uitkomsten van ontwikkelingsprocessen en resultaten van ontwikkelingsbeleid hoofdzakelijk worden bepaald door de hulp die een land ontvangt. Dat is niet het geval. Die uitkomsten worden bepaald door de inspanningen van de betrokkenen zelf: burgers, boeren, overheid, ondernemers, marktpartijen, civiele organisaties, overheidsinstellingen, enzovoort. De bewerkstelligde lotsverbetering, emancipatie, vooruitgang, ontwikkeling en groei hangen in eerste en laatste instantie af van hun eigen inzet, de wijze waarop zij de middelen inzetten waarover zij beschikken: kennis, kapitaal, grond, grondstoffen, ondernemerschap, creativiteit en, last but not least, de eigen normen en waarden. Hulp van buitenaf kan bij die inzet een beetje helpen. De hulp kan de combinatie van al die reeds beschikbare middelen beter tot recht doen komen, de richting waarin deze worden aangewend enigszins bijstellen, tekorten aanvullen, het proces bespoedigen. De hulp neemt het eigenlijke werk niet over, maar ondersteunt de uitvoering daarvan, geeft een zetje in de goede richting. Dat is de katalyserende functie van ontwikkelingshulp: bijstellen, aanvullen en versnellen, totdat een en ander geheel op eigen kracht geschiedt, zonder verdere hulp van anderen.

Daarom hoort ontwikkelingshulp niet alleen beperkt te zijn qua omvang – anders loopt men het risico dat het binnenlandse proces door krachten van buiten wordt overgenomen – maar ook in de tijd, om te voorkomen dat voortdurende hulpafhankelijkheid ontstaat. Dan krijgen binnenlandse ondernemers geen kans, en wordt eigen kennis en inzicht ter zijde geschoven.

Daarom is het juist goed om ontwikkelingshulp te spreiden over een aantal hulpontvangende landen, sectoren en projecten. Wanneer een land heel lang heel veel hulp ontvangt, worden binnenlandse financiële middelen niet meer gemobiliseerd. Wanneer een ontwikkelingsproject of een hele sector gedurende lange tijd in hoge mate afhankelijk is van buitenlandse instanties, deskundigen, technologie en financiële steun, wordt het een Fremdkörperin eigen land. Dan komen de economische, sociale en politieke verhoudingen onder druk te staan.

Mogelijkheden tot vooruitgang elders in dat land worden dan verstoord, bijvoorbeeld door onevenwichtige loonvorming, onevenredige toekenning van vergunningen en kredieten, door bevoordeling bij de toekenning begrotingsmiddelen, of door het ontstaan van machtige elites met connecties in het buitenland. Dat alles staat ver af van duurzame ontwikkeling.

Door spreiding van hulp als versnippering te kwalificeren raken argumenten die kunnen worden ontleend aan de eisen van het ontwikkelingsproces zelf buiten beeld. Kennelijk gaat het meer om de efficiency van de hulp vanuit het gezichtspunt van de donor, dan om de effectiviteit van het ontwikkelingsbeleid van het land zelf. Maar dat laatste zal toch het zwaarste moeten wegen, wanneer men beoogt met ontwikkelingshulp ontwikkeling te bestendigen.

Is dat doel gediend door hulp te beperken tot sectoren waarin de donor goed is? Of is dat wederom een drogreden? Daarover de volgende keer.

Deze column verscheen in Vice Versa #2 die afgelopen vrijdag uitkwam. Meer lezen? Neem dan nu een abonnement op Vice Versa.

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
30 april 2013
Categorieën: