23 nieuwe Kamervragen voor Ploumen

Twee weken geleden riep wetenschapper Lau Schulpen op om Kamervragen op te stellen voor minister Lilianne Ploumen. Pas als we door het stellen van vragen duidelijkheid krijgen over het beleid van de minister, kunnen we een oordeel vellen. Vandaag een bijdrage van het Dutch Consortium Migrant Organization, Diaspora for Development en Transnational Platform. Ze hebben 23 vragen voor de minister en aan de schriftelijke vragenronde Vaste Kamercommissie BuHa-OS.

1. Is de minister bekend met de verklaring van 20 december 2005 van de voorzitters van de Commissie, het Parlement en de Raad over het ontwikkelingsbeleid van de EU, de zogenoemde Europese consensus? En de kamerbrief inzake kabinetsreactie groenboek EU-ontwikkelingsbeleid van 10-12-2010, waarin Nederland eraan hecht dat de Europese Commissie blijft aanspreken om de streefcijfers voor ontwikkelingshulp uiterlijk 2015 te halen?

2. Is het de minister bekend dat voor het ten uitvoer leggen van haar beleid de EU zich ertoe verplicht om in de periode tot 2015 het bedrag op haar begroting dat bestemd is voor hulp te verhogen naar 0,7% van het bruto nationaal inkomen (bni), waarbij bijzondere aandacht zal worden geschonken aan de minst ontwikkelde landen, een betere verdeling van het werk onder de lidstaten en de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp?

3. Hoe verhoudt zich dit tot de nota “Wat de wereld verdient: Een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen? Betekent de verlaging van het budget van 0,7% een breuk met de gemaakte afspraken? En welk gevolg heeft dit voor de Verklaring van de zogenaamde Europese consensus?

Participatie Migranten en het Dutch Good Growth Fund

4. Is de minister bekend met de samenwerking van de drie grote migrantenorganisaties op het terrein van Migratie en Ontwikkelingssamenwerking te weten Dutch Consortium Migrant Organization (DCMO) Diaspora for Development (DfD) en Transnational Migrant Platform (TMP)? En dat deze drie organisaties ervaring heeft opgebouwd bij de ondersteuning van de civil society in de landen van herkomst en de laatste jaren ook de nodige expertise heeft opgebouwd in financiering van ondernemers daar?

5. Is de minister bekend met het Diaspora Business Center (DBC) opgericht door  migrantenorganisaties, ten behoeve van migrantenondernemers in Nederland ter ondersteuning van migrantenondernemers daar? Is de minister bereid de expertise en de ervaringen te betrekken bij haar beleid?

6. Is de minister bereid om de coalitie van deze drie Migrantennetwerken te betrekken bij de verdere vormgeving van haar beleid? En is de minister met ons van mening dat participatie van migrantenorganisaties een versterking betekent voor het draagvlak van de nota “Wat de wereld verdient: Een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen”?

7. Kan de minister ons toezeggen dat een vertegenwoordiger namens de drie migrantennetwerken deel gaat uitmaken van het overleg met de ministeries van Economische Zaken en Financiën en met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties bij de nadere vormgeving van het Dutch Good Growth Fund?

8. Is de minister bekend met de initiatieven van deze migrantenorganisaties om terugkeer van “ongedocumenteerden” in te passen in werkgelegenheidsprojecten daar en dit te koppelen met kleinschalige projecten in het kader van matching funding van MFS2? Is de minister bereid om dit beleid te faciliteren en te accommoderen?

9. In een aantal Europese landen zijn specifieke fondsen voor migrantenorganisaties die migrantenondernemers in de landen van herkomst ondersteunen? Is de minister bereid te onderzoeken of een dergelijk fonds ook deel kan uitmaken van het Dutch Good Growth Fund?

10. Is de minister bekend met de methode van “Sharia Banking”? Is de minister bereid te onderzoeken naar de toepasbaarheid van deze methode bij de vormgeving van het Dutch Good Growth Fund?

Migratie en vrouwen

11. De Nota spreekt zich uit voor de rechten van vrouwen. Is de minister bekend dat wereldwijd meer dan 215 miljoen mensen, migrantworkers zijn en dat hiervan 53 miljoen jonge vrouwen en meisjes vooral werken als huishoudelijk werker. Vaak zijn het jonge meisjes en vrouwen uit arme Zuidoost-Aziatische en Afrikaanse landen, op zoek naar een inkomen om hun familie mee te ondersteunen. Ze verlaten huis en haard nog voor ze volwassen zijn en gaan werken in een ver en vreemd land bij een onbekende familie, waar ze een verborgen en geïsoleerd bestaan leiden. Werkdagen van 16 uur per dag, 7 dagen in de week, voor een fractie van het minimumloon, zijn meer regel dan uitzondering. Ze zijn vaak slachtoffer van uitbuiting, geweld en zelfs verkrachting zonder dat dit gestraft wordt; bovendien vluchten kan niet meer. Van veel huishoudelijk werkers wordt bij aankomst het paspoort afgenomen, en zo is de weg naar huis afgesloten. Op welke wijze krijgt deze problematiek in haar beleid aandacht? Is de Minister bereid hierbij de organisaties voor Migrantworkers in Nederland te betrekken en te steunen?

12. Wanneer gaat de regering C ILO 189 ratificeren en van VN conventie arbeidsmigranten en hun familieleden? Maakt ILO 189 en VN conventie arbeidsmigranten en hun familieleden deel uit van de MVO richtlijnen?

13. Betekent coherentie van beleid ook, dat de landen die ILO 189 en VN conventie arbeidsmigranten en hun familieleden niet respecteren, Nederland de mogelijkheid van conditionaliteit wordt betrokken bij de handels- en ontwikkelingsrelaties tussen Nederland en die landen?

14. De Nota spreekt van een combinatie van handel, investeringen én hulp. Handel en investeringen maakt volgens de Nota een groot deel uit van een weg naar internationale samenwerking. In de huidige handelsverdragen zijn sociale clausules opgenomen waarbij rechten van arbeiders zijn opgenomen. Uit ervaring blijkt dat deze clausules niet bindend zijn de rechten van de arbeiders vaak niet worden beschermd. Is de minister op de hoogte van het feit dat de clausules voor de rechten van de arbeiders niet bindend zijn en dat hiermee de rechten van de arbeiders niet gewaarborgd wordt? Hoe denkt de minister te kunnen bijdragen aan een betere bescherming van deze arbeidsrechten? Is de minister bereid de Kamer hierover periodiek te rapporteren?

Migranten en maatschappelijk middenveld

15. De nota spreekt uit dat maatschappelijke organisaties en burgerbewegingen de stem van burgers vertegenwoordigen. Is de Minister met ons van mening dat migrantenorganisaties deel uit maakt van deze bewegingen en organisaties? En op welke wijze krijgt dit vorm in haar beleid?

16. Biedt de minister de migrantenorganisaties die op deze terreinen acteren ook een rol als ‘watchdog’ dienstverlener of bestendiger van vrede en politieke stabiliteit?

17. Is de minister bereid om de migrantenorganisaties ook expliciet toegang te verlenen tot de “Accountability Fund”? Zo, nee waarom niet?

18. De minister wil steun aan maatschappelijke organisaties geven via strategische partnerschappen. Is de minister van mening dat migrantenorganisaties op het terrein van migratie en ontwikkelingssamenwerking, zoals DCMO-DfD-TMP samen met hun partners in de landen van herkomst, deel moet gaan uitmaken van deze strategische partnerschappen? Zo nee, waarom niet?

Remittances

19. Is de minister bekend met de expertise van migrantenorganisaties om remittances productief te maken en te koppelen met voedselzekerheid? En is zij bereid deze expertise te benutten bij de vormgeving van haar beleid?

20.Volgens de Wereldbank werken 215 miljoen mensen wereldwijd in het buitenland en zijn goed voor 372 miljard dollar aan remittances. Kan de minister ons inzicht geven hoe groot de remittances is van de in Nederland verblijvende migranten? En op welke wijze denkt de Minister remittances te accommoderen?

21. Ongeveer 10-15 procent van deze migranten verblijven irregulier in de landen van bestemming. In Nederland wordt dit aantal geschat op 75000-115000. Zij verblijven werken hier zonder verblijfsvergunning. Erkend de minister dat deze migranten ook bijdragen aan ontwikkeling van de landen van herkomst door middel van hun remmitances  en dat zij ook een positief bijdragen aan de Nederlandse economie? Is de minister bereid mee te werken aan een betere bescherming van deze “gastarbeiders”?

22. Erkent de minister dat de internationale  kaders van arbeidsrechten ook gelden voor arbeidsmigranten zonder verblijfsvergunning, en zo nee, waarom niet, en zo ja, hoe beoogt de minister de arbeidsrechten van de irreguliere migranten te waarborgen?

23. Is de minister bereid om in overleg met haar collega van Financiën er voor zorg te dragen dat remittances geheel of gedeeltelijk belasting aftrekbaar wordt?

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
22 april 2013
Categorieën: