Eindelijk ontdekt: het SCP maakt kennis met Particuliere Initiatieven

In november 2012 verscheen het rapport ‘Particuliere Initiatieven in Ontwikkelingssamenwerking’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Wat leert het rapport ons over particuliere initiatieven? Een commentaar van Fabio Poelhekke, senior beleidsmedewerker van Wilde Ganzen.

“Pessimisten vrezen dat de moderne burger wordt gedreven door de wens tot zelfontplooiing en eigenbelang. In PI’s zien we dat die drijfveer niet het zwaarst weegt als aanleiding en motivatie.[…] De moderne burger mag dan geïndividualiseerd zijn (hij runt graag zelf een particulier initiatief), maar […] [dat] sluit […] pro-sociaal gedrag geenszins uit. […] Ons onderzoek naar Particuliere Initiatieven laat zien dat in Nederland een hoog gehalte aan altruïsme en gemeenschapszin aanwezig is.”

Deze mooie beoordeling komt van buiten ‘ons’ werkterrein. Zij staat aan het slot (pag. 110-111) van het in november 2012 verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) over Particuliere Initiatieven in ontwikkelingssamenwerking[1]. Mensen die in een PI werken krijgen een pluim, zo zou je het kunnen lezen, uit ‘de rest’ van onze samenleving.

Waarom deze belangstelling voor PI in ontwikkelingssamenwerking, van een think tank van buiten de OS-sector? Sinds zijn oprichting in 1973 heeft het SCP zich vaak gebogen over onderwerpen die te maken hebben met maatschappelijke betrokkenheid van burgers, zoals bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. Maar niet eerder kwam ontwikkelingssamenwerking in dit verband aan de orde. De studie maakt deel uit van een nieuwe ‘onderzoekslijn’, gericht op ‘informele groepen in de civil society’. Behalve PI horen hierbij recreatieve groepen, buurtgroepen, online verbanden, mantelzorggroepen, groepen die zich om de eigen leefomgeving druk maken, groepen voor religieuze vernieuwing, voedsel- en kledingbanken, etc. Meestal informeel georganiseerd. De onderzoeksvraag die het SCP zich stelt is of bij PI dezelfde mechanismen spelen als bij groepen die vooral het eigenbelang dienen. Anders gezegd: in hoeverre wijken PI hier van af?

In de loop van 2011 hebben de onderzoekers van het SCP 31 mensen van 18 PI geïnterviewd, plus 11 ‘sleutelpersonen’ van organisaties die PI hetzij ondersteunen, hetzij wetenschappelijk bestuderen. Daarnaast zijn ongeveer 150 documenten en publicaties geraadpleegd, die voor een deel over ontwikkelingssamenwerking in bredere zin gaan. Het is een interessant verhaal geworden, zeker voor wie intensief bij PI betrokken is. De blik van de lezer op ‘het verschijnsel PI’ wordt er duidelijk door verbreed.

Doe-het-zelf

In het eerste hoofdstuk, “Doe-het-zelf in de civil society”, worden twee vormen genoemd voor de betrokkenheid van mensen bij goede doelen in het algemeen. Enerzijds het overwegend passieve donateurschap van grote organisaties, waarbij alleen met geld gesteund wordt. Anderzijds een meer actieve betrokkenheid, waarbij mensen ook (veel) tijd steken in onbetaalde activiteiten die zij maatschappelijk belangrijk vinden, meestal in kleine groepen.

Grotere ontwikkelingsorganisaties moeten het in hoge mate van de eerste categorie hebben; PI daarentegen zijn duidelijk een actievere vorm van bezig zijn met ontwikkelingssamenwerking. Maar niet te vergeten: alle grote organisaties zijn ooit uit ‘particulier initiatief’ ontstaan. Hetzelfde geldt in zekere zin voor ontwikkelingssamenwerking in het algemeen, die zijn oorsprong heeft in de ‘particuliere’ scholen en ziekenhuizen die missie en zending in de negentiende eeuw in Nederlands-Indië, Afrika en elders gesticht hebben.

Hoofdstuk 2 maakt een zijsprong naar de ontwikkelingen in de publieke opinie over nut en noodzaak van OS in het algemeen, om daarmee de mate van belangstelling van burgers voor ons werkterrein aan te geven. Iemands houding wordt mede bepaald door het perspectief dat hij/zij heeft: het morele (armoedebestrijding moet gewoon); het eigenbelang (voor ons land); de beleving (zelf actief ‘iets willen doen’); een sceptische houding; of nog negatiever: het ver-van-mijn-bed en het eigen-land-eerst perspectief. Een vergelijking van de meningen in Nederland met die in andere Europese landen over het belang om mensen in ontwikkelingslanden te helpen, geeft aan dat in ons land de afgelopen dertig jaar 80-90% van de mensen dit belangrijk vond, maar dat er vijf landen zijn met een nog hogere score. Wat het ontwikkelingsbudget van de overheid betreft, vindt 10% van de bevolking dat dit hoger zou moeten zijn, tegen circa 40% dat het omlaag kan.

Het derde hoofdstuk biedt een beknopt en helder overzicht van het ontstaan van PI, hun geleidelijke professionalisering en hun relatie tot de ‘fondsen’ (Wilde Ganzen, Cordaid, Impulsis, (vroeger) NCDO, SBOS). Hoe zelfs Novib uit een PI ontstaan is; de derdewereldbeweging; MOV- en ZWO-groepen als de lokale steunorganisaties van missie en zending; het ontstaan van de brancheorganisatie Particulier Initiatief (PartIn).

De 18 onderzochte PI komen uitgebreid aan bod in hoofdstuk vier. Sommige zijn ‘jong’: zij bestaan nog maar enkele jaren, maar er is er ook een bij die al sinds 1968 werkt, toen er van officiële ontwikkelingshulp nog maar nauwelijks sprake was. Een van de meest opmerkelijke gegevens is de vaak enorme tijdsbesteding van mensen die voor/in een PI werken: niet zelden tussen 25 en 60 uur per week. Dit getuigt van een enorme drive, meermalen verwoord als ‘dit werk kan me niet loslaten’. Sommigen zijn zelfs minder uren aan hun betaalde baan gaan besteden, om meer PI werk te kunnen doen.

Niet alleen maar lekker voor jezelf

Het uitgebreide hoofdstuk vijf heet ‘Niet alleen maar lekker voor jezelf’. Hier doen de SCP onderzoekers verslag van een diepgaande graaftocht naar de motieven van de mensen die actief zijn binnen de PI. Doen ze het vooral voor zichzelf, of vooral voor ‘de ander’? Hoe zijn ze er toe gekomen, en wat betekent hun investering in dit werk? Uit veel interviews blijkt dat de aanleiding om in het PI werk te stappen toevallig is, maar tegelijkertijd ook een soort vervulling van iets wat men al heel lang wilde: ‘Ze zochten een penningmeester. Mijn buurman zat in het actiecomité en die dacht: Ik weet iemand die dat misschien wel wil doen. Dus op een bewuste maandagavond belde hij aan en vroeg: “Wil jij dat gaan doen?” En ik heb eigenlijk zonder nadenken gezegd: “Ja, dat lijkt me hartstikke leuk.” En we zitten nu in 2011, dat is 23 jaar later, en ik ben nog steeds bij de stichting als penningmeester en het is een deel van mijn leven geworden. Ik kan niet meer zonder.’ (geïnterviewd PI bestuurslid, pag. 66).

Het motief om PI activiteiten te verrichten is vaak een mengsel van redenen, die de onderzoekers pragmatisch altruïsme noemen: ‘Wat is het nut van ons bestaan? […] Die vraag heeft mij enorm beziggehouden […] Hoe kan ik me als mens verdienstelijk maken? Of hoe kan ik mijn kennis en kunde verdienstelijk maken? […] Ik hou van het avontuur […] Ontwikkelingswerk, dat inspireerde mij, dat wilde ik gaan doen.’ (geïnterviewde PI initiator, pag. 71). Wat niet wegneemt dat de verantwoordelijkheid op je nemen voor PI werk niet vrij van sores is: ‘Je ligt wel eens wakker, maar dat hoort erbij, dat ligt de voorzitter van de volleybalvereniging ook. Die ligt ook wel eens wakker van “O jee, hoe gaan we dat nou doen?”’ (geïnterviewde PI vrijwilliger, pag. 82).

De overwegend positieve kijk van de SCP onderzoekers op het verschijnsel PI komt duidelijk naar voren in het zesde hoofdstuk. Hierin wordt een antwoord gezocht op de vraag, wat ‘de betekenis [is] van Particuliere Initiatieven voor het samenleven in Nederland’ (pag. 85). Na het aanstippen van de PI-relaties met scholen, kerken, serviceorganisaties, bedrijven, overheid, ontwikkelingsfondsen, komt men tot de volgende conclusie: ‘Al ligt het uiteindelijke doel van Particuliere Initiatieven dan ver van huis en zijn de banden die ze aangaan dienstbaar aan hun ontwikkelingsdoelen, in potentie worden ook vanuit Particuliere Initiatieven in de ontwikkelingssamenwerking banden gesmeed die sociale samenhang vergroten en daarmee de leefbaarheid dicht bij huis positief beïnvloeden.’ (pag.101).

Beperkingen

De complimenten die het SCP aan de PI-‘sector’ maakt moeten ons niet laten vergeten dat het onderzoek ook zijn beperkingen heeft (waar de auteurs zich overigens van bewust zijn). Belangrijkste is dat de 18 geïnterviewde PI geselecteerd zijn uit de bestanden van Linkis[2], Wilde Ganzen en Partin. Dit wil zeggen dat zij behoren tot de ‘meer zichtbare en in financieel opzicht mede op de fondsen gerichte Particuliere Initiatieven’ (pag. 27). Als je bedenkt dat er naar schatting zo’n 8.000 PI-achtige groepen in Nederland zijn, dat aanzienlijk minder dan duizend hiervan in een jaar aankloppen bij fondsen en dat Partin circa 200 leden heeft, dan is het duidelijk dat het onderzoek gehouden is bij een selectie van de meer georganiseerde PI. De positieve duiding door het SCP kan hier best door beïnvloed zijn. Als je de PI-‘sector’ als geheel zou (kunnen) bekijken, zou het beeld minder positief kunnen zijn, en is er meer ruimte voor verbeteringen.

Een andere, niet onbelangrijke kanttekening bij het onderzoek is dat het natuurlijk niets zegt over de relevantie en de kwaliteit van de steun van deze PI voor de projecten/organisaties in ontwikkelingslanden. Het feit dat de meeste van de onderzochte PI gesteund zijn of worden door een van de PI-fondsen, maakt het wel waarschijnlijk dat  het werk overzee op zijn minst van redelijke kwaliteit is. Maar nader onderzoek hiernaar zou welkom zijn.

Samenwerking

De bevindingen van het SCP sluiten aan bij de beleving van organisaties die PI ondersteunen, zoals Wilde Ganzen, namelijk dat het werk van PI niet alleen belangrijk is vanwege de resultaten die in ontwikkelingslanden worden behaald, maar ook vanwege de effecten ervan in de Nederlandse samenleving. Tenslotte is ontwikkelingshulp in de loop van de tijd ontwikkelingssamenwerking geworden  en is tegenwoordig internationale samenwerking het credo. Het woord samenwerking heeft dus steeds meer nadruk gekregen, en dat is waar PI ook volgens het SCP sterk in zijn.

Fabio Poelhekke, senior beleidsmedewerker, Wilde Ganzen


[1] Particuliere Initiatieven in ontwikkelingssamenwerking: Een casestudie naar nieuwe verbanden in de Nederlandse civil society;

Esther van den Berg, m.m.v. Irene de Goede;

Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, november 2012, SCP-publicatie 2012-29; 136 pp.; Particuliere_initiatieven_in_ontwikkelingssamenwerking

[2] PI-‘loket’ van de gezamenlijke medefinancieringsorganisaties, dat op 1 juni 2012 gesloten werd.

Auteur
Selma Zijlstra

Datum:
29 januari 2013
Categorieën: