RE: Peter Konijn over het opengebroken internationale speelveld

Op de website van Vice Versa verscheen gisteren het interview met Peter Konijn van Knowing Emerging Powers over de veranderende internationale verhoudingen. Dit verschuivend mondiaal krachtenveld van Westerse naar opkomende landen dwingt, zo meent Konijn, de sector internationale samenwerking tot nieuwe manieren van denken en werken. Zijn advies: kom van je voetstuk af, stel je open voor mondiale kennisuitwisseling en stimuleer een sterke consumentenbeweging in opkomende landen. Drie professionals reageren en dragen ieder hun eigen steentje bij aan de discussie.

De professionals reageren ieder vanuit hun eigen achtergrond. Bob van der Bijl vanuit zijn positie als directeur van de National African Business Council (NABC), Anselm Iwundu vanuit zijn functie als directeur van Fairfood International en Bert Helmsing als professor Human Resources en Local Development aan het Institute for Social Studies (ISS) in Den Haag. In hoeverre zijn zij het eens met de argumenten van Peter Konijn over de verschuivende mondiale trends en de rol die daarin is weggelegd voor een innovatieve sector internationale samenwerking (IS)? En wat kunnen zij vanuit hun eigen expertise toevoegen aan de discussie?

Afrika als een opkomende economie

Dat het mondiale speelveld verandert is volgens Konijn een voldongen feit. De BRICS-landen, en dan met name China, India en Brazilië, hebben zich in rap tempo ontwikkelt tot nieuwe middeninkomenslanden. Op economisch gebied is dit zichtbaar in een smallere kloof tussen arme en rijke landen, een grotere ongelijkheid binnen de opkomende landen en verschuivende handels- en consumptiepatronen naar de nieuwe middenklasse in deze opkomende economieën. Een verschuiving die zich volgens Konijn ook vertaalt in een zekere verschuiving van de politieke macht van Westerse naar emerging powers.

Alle drie de professionals onderschrijven deze trends in het mondiaal krachtenveld, maar Van der Bijl en Iwundu wijzen ook op het belang om Afrika als een opkomende economie te gaan zien. ‘Als we kijken naar de economische groei in het continent Afrika, dan zien we volgend jaar weer een groei van ruim vijf procent en ook de arbeidsproductiviteit neemt voor het eerst sinds decennia weer toe.’ Van der Bijl vervolgt met een zekere stelligheid in zijn stem: ‘Ondanks de verschillen tussen de 54 landen die het continent telt, denk ik echt dat het tijd is dat we Afrika meer als opkomende economie gaan zien.’

Ook Iwundu wijst op de potentie van Afrika. Hij verwacht dat in 2025 de meeste Afrikaanse landen zich kunnen classificeren als middeninkomenslanden. ‘Maar net zoals Konijn wijst op de groeiende ongelijkheid in opkomende landen, moeten we in gedachten houden dat deze positieve economische trend niet automatisch de meest armen en kwetsbaren in Afrikaanse landen bereikt. Als ik bijvoorbeeld kijk naar mijn geboorteland Nigeria, dan is het duidelijk dat het land rijk is en dat de economie stapsgewijs groeit. Desondanks is de bevolking nog steeds hopeloos arm.’

Ivoren toren

De economische en politieke verschuivingen bestempelt Konijn als een positieve ontwikkeling, die wel degelijk mogelijkheden en kansen creëren voor internationale samenwerking. Maar dit vraagt wel van alle partijen om een nieuwe en innovatieve manier van samenwerken. Een samenwerkingsvorm waarbij wij onszelf volgens Konijn niet meer op een voetstuk mogen plaatsen en vanuit de traditionele machtspositie ontwikkelingssamenwerking mogen beoefenen.

Ook hier zijn de drie heren het over eens. Van der Bijl: ‘Ik denk dat het heel belangrijk is om niet van de ivoren toren in Nederland te werk te gaan, maar dat we pragmatisch kijken waar we echt iets kunnen toevoegen, met welke partners wij dat het beste kunt doen en wat onze exit-strategie is.’ Hier voegt Iwundu aan toe: ‘Daarbij ligt de focus dus op samenwerken en niet op het Westen die ontwikkelingsvraagstukken in arme landen oplost.’ Langs deze lijn benadrukt Helmsing dat het van belang is dat wij openstaan voor andere vormen van kapitalisme, bijvoorbeeld voor landen als China of Ethiopië waar de staat een grotere rol vervult. ‘De Westerse aanpak van ontwikkelingsvraagstukken is niet noodzakelijkerwijs de ontwikkelingsagenda voor de rest van de wereld.’

Afgunst en eigenbelang

Waar Konijn in het interview wijst op een zekere angst die Westerse landen voelen ten opzichte van de emerging powers, die de traditionele machtspositie als een koordanser op een wiebelend touw zetten, neemt Helmsing een ander gevoel waar. ‘Ik bespeur een zekere mate van afgunst bij de traditionele donoren, die als het ware vastzitten in een keurslijf van een aid architectuur waarin economisch eigenbelang geen rol mag spelen. Terwijl de opkomende machten daar geen problemen mee lijken te hebben. Zo fietst China nu op een hele andere manier door het internationale speelveld dan de traditionele donoren, die daarmee met hun ontwikkelingsagenda eigenlijk aan de zijkant komen te staan.’

Zowel Van der Bijl en Helmsing benadrukken dat de komst van nieuwe spelers in het speelveld ons als traditionele donoren op scherp stelt en ons wellicht geen keus laat om van de ivoren toren af te klimmen.

Van der Bijl: ‘Afrikaanse landen waar ik mee werk, hebben nu een keuze met welke partner zij in zee willen gaan en dat leidt er automatisch toe dat wij gaan nadenken over wat wij nu echt in de aanbieding hebben. Maar naast de bescheidenheid om te focussen op waar wij als Nederland goed in zijn, is er ook de bescheidenheid dat wij ook die landen nodig hebben. Het is niet langer eenrichtingsverkeer: Wij geven die landen wat om hen te helpen, maar het zijn ook afzetmarkten en technologie- en businesspartners.’ En het is deze economische samenwerking met een gedeeld belang die volgens Helmsing en Van der Bijl best een grotere rol mag spelen in internationale samenwerking. Maar hierbij moeten niet alleen maatschappelijke organisaties, maar ook bedrijven zich bescheiden opstellen.

Leren

Kortom, volgens Konijn en de drie professionals is het hoog tijd dat wij als Nederland de emerging powers en ontwikkelingslanden als gelijke partners gaan beschouwen in internationale samenwerking. Hierbij is grotere transparantie volgens Van der Bijl essentieel. ‘Ik zie dat de Chinezen veel transparanter zijn in wat zij van de andere partij willen en wat zij in ruil daarvoor terug kunnen geven. Ik merk dat dit toch heel helder overkomt in Afrika.’

Daarnaast beamen allen dat mondiale kennisuitwisseling belangrijk is voor een goede en gelijkwaardige internationale samenwerking. Wij kunnen veel van emerging powers en ontwikkelingslanden leren. Van der Bijl wijst op het Chinese ondernemerschap, waar de voorzichtige Nederlandse aanpak wel wat van het Chinese lef zou mogen leren. Ook wijst Iwundu op het belang om Zuid-Zuid-samenwerking te stimuleren. ‘Om die reden heeft Fairfood een Zuid-Zuid-project opgezet waarbij de kennis tussen vakbonden kan worden gedeeld en zij kunnen samenwerken aan de verbetering van socio-economische gerechtigheid.’

Het Bolsa Familia voorbeeld dat Konijn aanhaalt is volgens Helmsing dan ook een programma waar veel andere landen iets van kunnen leren. Maar hier voegt Helmsing aan toe dat wij als Nederland ook goede voorbeelden in huis hebben, die best genoemd mogen worden. ‘Ik vind het initiatief duurzame handel wat op het ministerie gestart is een heel belangrijk initiatief op het gebied van duurzame en economische ontwikkeling. Daarin koppelen we ontwikkelingen hier met ontwikkelingen daar en kijken we zo hoe wij samen duurzame ontwikkeling in de landen, die onderdeel zijn van die keten, van de grond kunnen krijgen.’

Versterken van de middenklasse

Zowel Konijn als de drie professionals beschouwen de toenemende ongelijkheid als een groot probleem. Konijn noemde het stimuleren van consumentenorganisaties in opkomende landen als een mogelijke manier om de ongelijkheid aan te pakken, wanneer nodig in samenwerking met maatschappelijke organisatie en ngo’s uit andere landen. Iwundu: ‘Ik ben het met Konijn eens dat de middenklasse een hele belangrijke groep vormt in arme en opkomende economieën, net zoals de allerarmsten. Ook ben ik het eens dat deze groep de kracht heeft om druk uit te oefenen op de overheid en de private sector om het beleid te veranderen. Om deze groep bewust en betrokken te maken en hen te mobiliseren, kunnen ngo’s en andere maatschappelijke organisaties een belangrijke rol spelen.’

Van der Bijl en Helmsing zien het versterken van de middenklasse via consumentenorganisaties niet direct als de manier om de ongelijkheid aan te pakken. Van der Bijl: ‘Ik denk dat het heel goed is dat de civil society in die landen de druk opvoert om de kwaliteit van leven voor de bevolking te verbeteren, maar ik vind wel dat echte veranderingen van binnenuit moeten komen. Ik ben aarzelend of we ons daar van buitenaf mee moeten bemoeien. Als het niet van binnenuit komt dan krijg je al gauw een dominee rol als OS-sector en ik denk niet dat we daar naar terug willen.’ Ook Helmsing erkent de kracht die de middenklasse kan spelen in het aanpakken van de ongelijkheid, maar sluit zich wat betreft de aanpak aan bij Van der Bijl.

Iwundu en Van der Bijl dragen daarnaast ieder een eigen manier aan om de ongelijkheid op te lossen. Iwundu: ‘Er bestaat voor mij geen twijfel dat wanneer we de ongelijkheid tussen en binnen landen willen verkleinen, dat handel dan eerlijk moet worden. Veel van de armoede is geconcentreerd in landbouw georiënteerde economieën. Deze landen zouden heel erg gebaat zijn als het internationale handelsbeleid dusdanig wordt hervormd dat er meer toegang is naar globale en regionale markten, en marktverstorende subsidies in rijke landen worden opgeheven.’ Van der Bijl gooit het over een andere boeg: ‘Wil je aan ongelijkheidsbestrijding doen dan denk ik dat het nodig is dat een groot deel van de informele sector naar de formele sector toe gaat. Ongelijkheidsbestrijding doe je toch met name door herverdelingsmaatregelen en dat lijkt me heel lastig te doen als je een heel groot grijs gebied hebt van de informele sector.’

Positieve beeldvorming

Welke rol moeten wij volgens de drie professionals nog meer op ons nemen als sector internationale samenwerking? Volgens Van der Bijl kunnen we beter werken aan de bewustwording in ons eigen land. ‘Ik zou de ontwikkelingssector in Nederland vooral willen oproepen om mensen in Nederland bewust te maken van het feit dat er in Afrika heel veel positieve dingen gaande zijn. Stimuleer Nederlandse consumenten om producten uit Afrika te kopen en daar op vakantie te gaan. Vertel veel meer een positief verhaal in plaats van de illusie te koesteren van buitenaf een enorm verandertraject op gang te kunnen brengen als OS sector.’ Hierbij is een positieve beeldvorming over Afrika volgens Van der Bijl van groot belang. ‘Het is heel belangrijk dat ngo’s veel voorzichtiger met de beeldvorming omgaan, want op macroschaal kan de negatieve beeldvorming de mensen in Afrika meer kosten, dan alle hulp die we er tegelijkertijd naar toe brengen.’

Een concrete suggestie die Van der Bijl benoemt is om te kijken hoe we de thuismarkt kunnen beïnvloeden. ‘In Denemarken is er bijvoorbeeld een supermarkt die ervoor wil zorgen dat producten uit Afrika goed worden gemarket. Dat is goed voor de Afrikanen, goed voor u als consument en goed voor ons als bedrijf. Dan weten we zeker dat we impact kunnen hebben, maar zijn we niet met opgeheven vinger bezig.’

Participatory Budgeting

Ook Iwundu benadrukt het belang om de Nederlandse burger te betrekken bij internationale samenwerking. ‘Ik zou het erg spannend vinden wanneer burgers van rijke landen de mogelijkheid krijgen om zelf te bepalen hoe ministeries ODA-geld besteden in internationale samenwerking. Het kan idealistisch of naïef klinken, maar ik denk dat een toekomst waarin burgers grotere zeggenschap hebben over internationale samenwerking en meebeslissen over hoe ontwikkelingsgeld wordt besteedt, een goede zaak zou zijn. Ik zou zelfs nog een stapje verder willen gaan, en het beleidsinstrument Participatory Budgeting willen gebruiken in de OS-sector.’

Volgens Helmsing kunnen wij als Nederland een rol spelen in internationale samenwerking door het goede voorbeeld te geven. ‘De wereld is anders dan in het verleden. Het is niet meer dat onze concerns leiden tot verandering daar. Tegenwoordig reizen en kijken mensen vanuit zuidelijke landen ook naar wat er hier in Nederland gebeurt. Bijvoorbeeld omdat wij een lagere sociale ongelijkheid hebben. Laten wij als Nederland het goede voorbeeld geven, waarvan anderen zullen leren. Dus niet onze agenda opstellen over hoe men het daar het beste kan oplossen, maar hen zelf laten komen kijken naar hoe wij het doen hier.’

Auteur
Céline Hoeks

Datum:
30 oktober 2012
Categorieën: