Manuela Monteiro: ‘Klaar met ontwikkelingssamenwerking!’

Staatssecretaris Knapen is ingehuurd om bezuinigingen door te voeren. Maar mag het misschien met een beetje analyse en een snufje passie? De regering lijkt klaar met ontwikkelingssamenwerking, onder het adagium ‘weg met ODA’ (Official Development Aid). Dat is een beetje dom, betoogt Manuela Monteiro, directeur van Hivos.

OS gepasseerd station?

Op het eerste gezicht heeft de staatssecretaris gelijk. De wereld anno 2012 ziet er heel anders uit dan pakweg 10 jaar geleden. Een groot deel van de ontwikkelingslanden ontworstelt zich in rap tempo aan de armoede. Dat geldt uiteraard voor de Aziatische tijgers maar ook voor Afrika, waar de recente groeicijfers veel somberte over dit continent hebben weggevaagd. Het werd tijd. Wie nu naar bijvoorbeeld Oost-Afrika reist voelt de dynamiek om zich heen. Ondernemingslust, bouwprojecten, opwaartse mobiliteit, om dat woord maar weer eens te gebruiken. Je ruikt de hoop in de lucht. Maar o, wat is die broos. Het onderscheid tussen rijke en arme landen vervaagt, heet het dan. Pardon? Hebben we wel goed gekeken naar de cijfers per capita?

De meerderheid van de armen woont nu in opkomende landen. Dat biedt perspectief, zeker, maar het getuigt van een grenzeloos optimisme om te denken dat de elites in die landen voortaan maar voor de eigen armen zullen zorgen. Zoals wij dat hier ook deden – in de loop van eeuwen wel te verstaan, en met dank aan de sociale strijd.  En daar zit ‘m natuurlijk de kneep. Er mag dan wel groei zijn, maar de ongelijkheid tussen landen en ook binnen landen is nog nooit zo groot geweest. En herverdeling gaat niet vanzelf, zeker niet waar de handel en wandel van elites nog gepaard gaat met gebrekkige checks and balances, corruptie en patronage.

Betere economische prestaties zijn dus geen garantie voor verminderde armoede. Er ontwikkelt zich een groeiende middenklasse maar nog slechts in een beperkt aantal landen. In India en Brazilië mag verwacht worden dat deze middenklasse zich ontfermt over het lot van armere segmenten in de samenleving, uit verlicht eigen belang misschien, maar die verwachting is in veel andere landen, zoals in Afrika, voorlopig niet aan de orde.

Ons een zorg

Overheden in de Global South hebben de verantwoordelijkheid om voor de eigen bevolking ‘te zorgen’. Evident. Maar wat als dat niet gebeurt? Het vervelende is dat aanhoudende ongelijkheid en corruptie een gevaarlijke mix vormen, die op den duur tot uitzichtloosheid en geweld kan leiden. Dat hebben we gezien in Kenia, dat zien we nu in de Arabische regio. Het is geen rocket science: de geschiedenis staat vol met conflict en oorlogen die uiteindelijk terug te voeren zijn tot ongelijkheid en economische belangen.

Nederland heeft belang bij stabiliteit in de wereld. Het bedrijfsleven heeft belang bij een fatsoenlijke omgeving in opkomende landen, waar zij hun waar kunnen verkopen. Daarom is dit onze zorg. Het is puur in ons eigen belang om te werken aan een betere verdeling van de welvaart en (dus) aan de bestrijding van onrecht.

Nieuwe strategie

De veranderde omstandigheden geven wel aanleiding tot andere strategieën. De zoektocht naar een ander ontwikkelingsparadigma is al enkele jaren aan de gang. Duidelijk is dat service delivery – behalve in situaties van noodhulp en wederopbouw – een achterhaald idee is. Juist de opkomende economieën zouden in staat moeten zijn om dat zelf te organiseren, zoals het een fatsoenlijke staat betaamt. Maar hoe maak je de staat fatsoenlijk? Daar zijn verkiezingen – hoe belangrijk ook – niet het middel voor.

In de queeste naar andere strategieën schaarde de Wereldbank zich vorig jaar ineens achter de kritisch-progressieve denkers. President Zoellick (nota bene een Republikein) houdt machthebbers in de Arabische regio voor: “you cannot have successful development without good governance and without the participation of your citizens. … A robust civil society et cetera (2011).”  Ook andere grote donoren zoals het Britse DFID benadrukken ‘the centrality of politics’  in hun aanpak.

De tegenmacht

Mij dunkt dat deze twee elementen – goed bestuur en mondige, georganiseerde en actieve burgers – de centrale ingrediënten moeten zijn in de ontwikkelingssamenwerking (OS) van de toekomst. Nederland met haar lange democratische traditie van dialoog kan het Rijnland model bij de versterking van goed bestuur wat mij betreft met kracht propageren. Daarnaast moet Nederland zijn ervaring met de rol van maatschappelijke organisaties in de opbouw van een sterke civil society met trots uitdragen en uitbouwen.

Sociale media spelen een steeds belangrijker rol in het mobiliseren van ongenoegen. De invloed en betekenis van burgerorganisaties in het politiek-maatschappelijk krachtenveld is daarmee exponentieel vergroot. Zij vormen nog meer dan vroeger een essentiële factor om machtsmisbruik te beteugelen en transparantie af te dwingen. De crux om het functioneren van de staat (en de elite) te veranderen. Zij zíjn de tegenmacht, zeg ik ook tegen Paul Hassing.

Strategische OS moet gaan over de kritieke interventies die cruciaal zijn voor het opbouwen van fatsoenlijke samenlevingen. Daarin neemt de staat verantwoordelijkheid voor een veilige omgeving voor burgers, waarin hun rechten worden gewaarborgd.

Geachte staatssecretaris, als u hier onze belastingscenten op zet, dan hebben we er allemaal baat bij. Dan bent u straks wel klaar met OS.

Auteur
Manuela Monteiro

Datum:
23 februari 2012
Categorieën: