Deel 2 hoorzitting: ‘In de jaren ’90 waren we met meer overheidssteun minder afhankelijk dan nu’

In de hoorzitting over het ontwikkelingsbeleid zaten vijf personen uit de NGO-wereld aan de ronde tafel om vragen van de Kamerleden te beantwoorden. De NGO’s probeerden het belang van het maatschappelijk middenveld te benadrukken, net als een regionale aanpak in plaats van het huidige landenspecifieke lijstje.

Elisabeth van der Steenhoven (coördinator WO=MEN) nam een Egyptisch vlaggetje mee, afkomstig van het Tahrirplein, om de rechten van de vrouw te benadrukken. Ze kwam met een krachtig pleidooi om genderongelijkheid als apart speerpunt in het beleid mee te nemen omdat rekening houden met gender de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking vergroot. De andere genodigden vertelden met een bredere blik over ontwikkelingssamenwerking. Herman Wijffels (covoorzitter Worldconnectors), Jan Bouke Wijbrandi (algemeen directeur UNICEF Nederland), Alexander Kohnstamm (directeur Partos), René Grotenhuis (algemeen directeur Cordaid) en dus Elisabeth van der Steenhoven werden na hun inleidingen door de Tweede Kamerleden gevraagd om input op NGO gebied.

Van brief naar brief

Grotenhuis liet merken niet tevreden te zijn met de focusbrief. Klimaatverandering komt volgens hem te weinig aan bod, net als het maatschappelijk middenveld: ‘We worden van brief naar brief verwezen, terwijl het onderwerp te belangrijk is om dit zomaar te accepteren.’ De klassieke vorm van ontwikkelingssamenwerking komt volgens Grotenhuis dicht bij de houdbaarheidsdatum. ‘Er moet geïnvesteerd worden in de toekomst, waarbij belangrijke onderdelen zoals het maatschappelijk middenveld niet vergeten moeten worden.’

Kamerlid Ewout Irrgang (SP) vroeg Grotenhuis naar de onderbouwing van de landenkeuze. De directeur van Cordaid benadrukte dat de landenlijst willekeurig lijkt. Een regionale aanpak is volgens hem veel belangrijker. Klaas Dijkhoff (VVD) meende dat de steun van NGO’s aan ontwikkelingslanden niet afhankelijk is van de bilaterale landenlijst, waarop Grotenhuis antwoordde dat NGO’s nu meer dan ooit afhankelijk zijn van de overheid: ‘In de jaren ’90 waren we met meer overheidssteun minder afhankelijk dan nu’.

Eerst thema’s of eerst landen?

Een andere discussie rondom de landenkeuze was de vraag of de landenselectie afhankelijk zou moeten zijn van de vier speerpunten. Wijffels liet weten dat naar zijn mening de thema’s voorop komen. ‘Als je wil kijken naar waar Nederland goed in is, dan vind ik het meteen selecteren van landen wat ongelukkig. De landenkeuze zou altijd secundair moeten zijn aan de thema’s, die voor een lange termijn meegaan’, aldus de co-voorzitter van Worldconnectors.

Sjoera Dikkers (PvdA) vroeg hierop of kwaliteit x dat benodigd is in een ontwikkelingsland per se een Nederlandse toegevoegde waarde moest zijn, of dat x ook in het buurland gehaald kon worden. Wijffels zei vervolgens dat Nederland niet altijd een toegevoegde waarde hoeft te hebben, en dat vanuit vraaggestuurde ontwikkelingshulp moet worden uitgegaan. Grotenhuis beaamde dit: ‘Laten we niet te snel pretenderen waar we goed in zijn.’ Ook hij vond dat er gedacht moet worden vanuit de behoefte van het ontwikkelingsland.

Draagvlak en de NGO

Nederland heeft groot belang bij een stabiele wereld, zeker nu deze kleine wereld steeds kleiner wordt, zo vertelde Alexander Kohnstamm. NGO’s hebben duurzame en rechtvaardige ontwikkeling als kerndoel, net als mensenrechten en armoedebestrijding. Ook hebben NGO’s diepe kennis van maatschappijen in ontwikkelingslanden en zijn dus van grote waarde. ‘In de focusbrief is het maatschappelijk middenveld slechts een posterioriteit’, betreurde Kohnstamm.

Jan Bouke Wijbrandi van UNICEF onderstreepte op het laatst nog dat draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking onder de Nederlanders erg groot is. UNICEF heeft er zelfs donoren bij gekregen dit jaar. ‘Dit is een duidelijk signaal waar de Nederlandse overheid naar zou moeten handelen’, aldus Wijbrandi. Hij zei verder dat UNICEF het belang van economische ontwikkeling inziet, maar dat de basis hiervoor bij sociale ontwikkeling ligt. Ook streeft hij naar beleid dat zichtbare resultaten biedt, zoals het groeiende aantal schoolgaande kinderen en de bredere toegang tot water.

 

Auteur
Mieke Olde Engberink

Datum:
18 april 2011