Het WRR-rapport: de reacties

Na de publicatie van het WRR rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’, brak de discussie los. Wat vonden politici, NGO’s, wetenschappers en experts van het voorstel een ‘NL AID’ op te richten, de focus van de WRR op economische ontwikkeling, het loslaten van de 0,7 % norm en andere belangrijke punten uit het rapport?

Het WRR rapport heeft veel stof doen opwaaien. Iedereen had er wel een mening over. Werden bepaalde delen uit het rapport toegejuicht, zoals de aandacht voor mondiale publieke goederen en beleidscoherentie, andere kregen minder steun. In het bijzonder was er veel kritiek op de eenzijdige nadruk  op economische productiviteit als voorwaarde voor ontwikkeling en de ontkenning van het belang van sociale sectoren als gezondheidszorg en onderwijs. Over NL AID, specificatie van het aantal thema’s en de focus op 10 landen waren de meningen verdeeld. Zie hieronder een overzicht van de belangrijkste reacties van NGO’s, politieke partijen en opinies van experts.

NGO’s

Oxfam Novib
Oxfam Novib concludeert dat het rapport afrekent met hulp-cynisme. Zij stellen dat hulp nodig is, maar beter moet. Oxfam Novib ziet ook de noodzaak in voor een breed samenhangend beleid van de overheid. Maar de vernieuwingsvoorstellen zijn nog niet bevredigend te noemen. Volgens Oxfam Novib moeten er bijvoorbeeld veel meer mondiale oplossingen gevonden worden voor problemen, die juist arme landen op achterstand zetten. ‘Ik vind het wel jammer dat de commissie niet verder uitwerkt hoe de verbreding en globalisering van ontwikkeling in de praktijk uitgewerkt moet worden’, stelt Oxfam Novib

Cordaid
Ook bij Cordaid heersen tegengestelde gevoelens. Enerzijds omarmen zij het WRR rapport door de benoeming van wederzijdse belangen tussen de donor- en ontvangende landen. Anderzijds spreken zij van vervuiling waar de kosten voor vredesmissies en klimaataanpassingen zijn ondergebracht in het budget. Ook zijn ze minder blij met de focus op een flink aantal minder landen, waarbij een groot aantal landen waarin mensen onder de 1 dollargrens leven uitgesloten worden.

Hivos
Hivos is blij met de afrekening van veel karikatuur beelden die het publieke debat van ontwikkelingssamenwerking domineren. Waar Hivos negatief tegenover staat is het gebrek aan aandacht voor de politieke dimensie en civil society. Duurzame ontwikkeling vraagt om emancipatie van achtergestelde bevolkingsgroepen, een betere positie van vrouwen en een eerlijke verdeling van welvaart. Economische groei leidt daar niet automatisch toe. Een betrokken en kritische civil society is onontbeerlijk. Hivos pleit voor krachtige Nederlandse steun aan burgerbewegingen die een betere leefomgeving en democratisering van machtsverhoudingen kunnen vormgeven.

ICCO
Het WRR-pleidooi voor diepgaande expertise, thematische specialisatie, samenwerking met de juiste partijen op het juiste moment, het verschuiven van zeggenschap naar ontwikkelingslanden en de zorg voor het ‘wereldwijde publieke domein’, sluit aan op de vernieuwing die ICCO heeft ingezet en eind dit jaar grotendeels zal afronden. Wel pleit ICCO voor een bredere definitie van ontwikkeling, inclusief politieke, economische en sociaal-culturele dimensies en met oog voor universele ijkpunten.

Edukans
Het pleidooi voor landenspecifiek werken, meer aandacht voor mondiale vragen en specialisatie verdient brede steun volgens Edukans. Kritischer staan zij tegenover de wijze waarop het inzetten van sociale basisvoorzieningen worden beoordeeld, evenals NLAID als efficiënter ‘vehikel’ voor ontwikkeling. Het WRR–rapport lijkt eenzijdig te kiezen voor economische ontwikkeling ten koste van sociale ontwikkeling. Het is maar zeer de vraag of de twee benaderingen zo tegengesteld zijn. Edukans ziet de sociale basisvoorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg wel degelijk als bijdrage aan zelfredzaamheid.

Both Ends
Both Ends vindt het een winst dat het WRR erop aanstuurt dat beleidscoherentie meer positieve effecten op ontwikkelingslanden zal hebben dan ‘geïsoleerde’ ontwikkelingshulp. Zoals het rapport terecht stelt zijn er randvoorwaarden nodig wil ontwikkelingssamenwerking effect hebben. Wel laat het rapport Both Ends achter met een gevoel van onbehagen waar het voorbij gaat aan het feit dat een eenzijdig accent op productiviteitsverhoging in veel ontwikkelingslanden grote negatieve effecten heeft op milieu en zeer grote bevolkingsgroepen. Het is cruciaal dat ontwikkelingssamenwerking zich juist richt op het scheppen van kansen voor kwetsbare groepen. Ook de inzet op een te vormen speciale overheidsdienst NLAid, wordt vreemd bevonden aangezien het rapport ook constateert dat de samenwerking met het maatschappelijk middenveld een van de sterke kanten is van de Nederlandse ontwikkelingshulp.

FairFood
De analyse van de WRR dat ontwikkelingsbeleid meer gericht moet bijdragen aan het zelfredzaam maken van landen en zich duidelijker moet oriënteren op grote mondiale vragen, onderkent FairFood. Mondiale vragen met betrekking tot handel als motor van duurzame ontwikkeling en de rol van het bedrijfsleven vindt Fairfood belangrijk. Fairfood zou het wel toejuichen wanneer de Nederlandse overheid, in navolging van het WRR advies, dergelijk beleid ook daadwerkelijk meer coherent zou maken.

SYPO
De ontwikkelingssamenwerking is op dit moment inderdaad vaak pretentieus, en mist de ambitie om een krachtig antwoord te formuleren op de kritiek van de afgelopen jaren. De hulpindustrie heeft het dan ook aan haarzelf te danken dat, nu een goed inhoudelijk antwoord op alle kritiek is uitgebleven, de regering het directe advies krijgt om de Nederlandse hulp te hervormen. De voorgestelde hervormingen zijn echter absoluut geen manier om de kwaliteit van hulp te verbeteren. Zo stelt SYPO onder andere: ‘Er werd te vaak vastgehouden aan oude vormen van hulp, terwijl betere voor handen waren. De oplossing van de WRR is echter ondoelmatig en pretentieus: alleen doen waar Nederland het beste in is, in slechts enkele landen. Daarmee sluit het WRR juist iedere vorm van flexibiliteit uit, en pretendeert het nu al te weten in welke vormen van hulp wij als land het beste zijn. Hoe was een krachtig hulpmiddel als microfinanciering ooit ontstaan als Bangladesh zich alleen bezig mocht houden met waar het al goed in was? Of is het, naar goed gebruik in de bilaterale hulp, de bedoeling van de WRR dat we met keihard protectionisme de eigen markt met deze focusgebieden verder spekken?’

Partos
Volgens branche-organisatie Partos wordt de rol van het maatschappelijk middenveld, en daarin ook die van particuliere ontwikkelingsorganisaties, in het WRR-rapport onderbelicht. De WRR geeft slechts een summiere analyse van de rol van deze organisaties en onderzoekt niet wat hun meerwaarde is. Dit gebrek aan analyse weerhoudt de WRR er echter niet van om op dit gebied stevige conclusies te trekken en vergaande aanbevelingen te doen. Partos meent dat de WRR deze aanbevelingen onvoldoende onderbouwt. Nieuw regeringsbeleid voor het maatschappelijk middenveld mag dan ook niet zomaar op de summiere analyse in het WRR-rapport worden gebaseerd.

De experts

Jan Pronk, oud-minister voor Ontwikkelingssamenwerking en hoogleraar aan het Institute of Social Studies
Jan Pronk is van mening dat het rapport een belangrijke bijdrage levert aan het debat, maar tekortschiet op een aantal punten in de analyse. Hij stelt dat de aanbevelingen van de raad gebaseerd zijn op een eenzijdige definitie van ontwikkeling en een aanvechtbare analyse van ontwikkelingsprocessen. ‘Terwijl de Raad algemeen geldige theorieën verwerpt, presenteert hij zelf een algemene strategie, en dat zonder aan te geven voor wie dat uiteindelijk verschil uitmaakt’, schreef hij in zijn reactie in Vice Versa

Paul Hoebink,bijzonder hoogleraar aan het CIDIN
Hoebink bekritiseert de WRR omdat de raad een te smalle visie op armoede presenteert. Hij pleit voor ‘een brede, ‘multidimensionale’ definitie van armoede, die naast de toegang tot hulpmiddelen, werk, inkomen, ook de sociale (kwetsbaarheid) en politieke kant (machteloosheid) sterk benadrukt.’ De consequenties van de verbreding van het armoede-begrip worden volgens Hoebink in het rapport niet behandeld. De reductie van het begrip armoedebestrijding naar ‘ zorgen voor de armen’ leidt tot een scheiding tussen de productieve en de sociale sector. Die scheiding kan volgens Hoebink niet gemaakt worden, aangezien de ‘sociale’ sectoren al lang ‘productieve’ sectoren zijn geworden.

Marcia Luyten, journalist, publicist en schrijfster
Marcia Luyten is te spreken over de subtiele toon en eigen koers van het WRR rapport, maar verwijt de raad dat The one million dollar question niet wordt gesteld. De WRR is van mening dat ontwikkeling alleen plaats kan vinden in landen met een effectieve staat, maar aangezien die in bijna alle landen afwezig is blijkt die effectieve staat juist de oplossing van structurele armoede. De raad had zich volgens Luyten minder a-politiek op moeten stellen en meer aandacht moeten besteden aan de manier waarop de politieke elite betrokken kan worden bij ontwikkelingssamenwerking.

Bram van Ojik, directeur Sociale Ontwikkeling bij het ministerie van Buitenlandse Zaken
Van Ojik stelt dat onderwijs en gezondheidszorg niet opzij gezet kunnen worden, omdat zij wel degelijk een voorwaarde zijn voor groei. ‘De tegenstelling die de WRR ontwaart tussen bevordering van zelfredzaamheid en armoedebestrijding bestaat niet’, schrijft hij in IS. ‘Onderwijs en gezondheid zijn belangrijke voorwaarden voor economische groei en daarmee voor autonome ontwikkeling in ontwikkelingslanden.’ Dit blijkt volgens Ojik duidelijk uit de feitelijke ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar.

Ruerd Ruben, hoogleraar Ontwikkelingsstudies, Directeur CIDIN. Eveneens directeur IOB.
Ruben bespreekt een aantal punten die onvoldoende onderzocht worden in het rapport. Hij bekritiseert de gebrekkige analyse van structurele oorzaken van chronische armoede. In tegenstelling tot de beweringen in het WRR rapport, stelt hij dat juist ‘lump-sum’ investeringen op meso-nivo van groot belang blijken te zijn voor het bestrijden van ondeelbare armoedeproblematiek. Dit blijkt ook uit baanbrekend onderzoek, dat door de WRR helaas niet is opgenomen. Het gat tussen micro-hulp op projectniveau en macro-hulp voor globale issues wordt zo veel te groot. Het rapport gaat volgens Ruben ‘gemakshalve voorbij aan het omvangrijke terrein van lokale instituties (bv. informele verzekeringssystemen, lokale rechtssystemen) en private partnerschappen (bv. contractteelt, duurzame productstandaarden).’ Juist de opbouw van locale en regionale instituties is belangrijk om toegang te krijgen tot markten en sociale netwerken, blijkt uit onderzoek.

Annelies Zoomers, hoogleraar ontwikkelingsstudies Utrecht
Zoomers reageert een paar maanden na het verschijnen van het WRR rapport en benoemt thema’s die weinig aan bod zijn gekomen, maar onmisbaar zijn voor de discussie over een nieuwe wereldorde. Zij pleit voor een brede invulling van de ontwikkelingsagenda, gebaseerd op internationale verantwoordelijkheid. ‘In plaats van het nadenken over vaste partnerlanden en thema’s (landbouw, water) moet worden geïnvesteerd in strategische en oplossingsgerichte interventies. Clustering van onderling verbonden gebieden (in plaats van vaste landen) zou inzet moeten zijn voor interventies.’

AIV, Adviesraad Internationale Vraagstukken
AIV zet zeven kanttekeningen bij het rapport en doet aan de hand daarvan aanbevelingen:

  • – Grijpt WRR niet teveel terug op economische groei als definitie van ontwikkeling?
  • – AIV is voorstander van het perspectief van zuidelijke landen en prefereert het woord samenwerking in plaats van hulp.
  • – De 0,7 norm moet worden gehandhaafd.
  • – Gebrek aan goed bestuur doet geen afbreuk aan de noodzaak van hulp.
  • – De focus moet niet teveel liggen bij de Nederlandse en statelijke invulling van hulp.
  • – Er moet meer aandacht naar gender, noodhulp en migratie en demografie.
  • – Er is een andere beleidsinvulling mogelijk dan NLAID

  • Politieke partijen

    VVD
    De VVD is erg positief over het WRR-rapport. De VVD is van mening dat niet het percentage van 0,8% van het BNP dat in Nederland wordt gehanteerd, maar juist het perspectief op de zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden het uitgangspunt moet zijn.  De focus op Afrika die het rapport voorstelt, wordt gedeeld door de VVD. Ook zijn zij positief over het pleidooi in het rapport om ontwikkelingsbeleid te laten richten op vraagstukken die buiten de traditionele hulp vallen, zoals migratie.

    PvdA
    De PvdA ziet het WRR-rapport vooral als een waardevolle bijdrage aan het debat over ontwikkelingssamenwerking. Harm Evert Waalkens, inmiddels oud-Tweede Kamerlid voor de PvdA,  is wel van mening dat de 0,8 procent van het BNP moet blijven bestaan. Dit omdat de hulp overeind moet blijven en er geen sprake van kan zijn om het kalmer aan te doen. Toch is voor hem ook belangrijk dat hulp werkelijk moet helpen. Hij is erg blij dat de WRR met het rapport ‘geen grauwsluier trekt over ontwikkelingshulp’.

    PVV

    Van de PVV is geen standpunt bekend met betrekking tot het verschijnen van het WRR-rapport. Toch laat deze zich makkelijk voorspellen. De PVV is immers voor volledige afschaffing van ontwikkelingssamenwerking, met hierop uitgezonderd de noodhulp.

    CDA
    Het CDA deelt de conclusie van het rapport dat er minder fixatie moet zijn op het percentage voor ontwikkelingssamenwerking. Voor CDA Tweede Kamerlid Kathleen Ferrier is de 0,8% regel namelijk niet heilig. Het CDA is dan ook voorstander van het soepeler om te gaan met de 0,8% van het BNP, het gaat immers om de effectiviteit. Ook is Ferrier te spreken over de focus die op het continent Afrika gelegd wordt. Toch zijn er ook punten van kritiek, zoals het genoemde aantal van tien focuslanden in Afrika. Het CDA deelt de gedachte om in de toekomst op minder landen in te zetten, maar het aantal van tien focuslanden lijkt hen uit de lucht gegrepen. Ook heeft het CDA kritiek op de bewering dat inzet op onderwijs en volksgezondheid niet effectief zou zijn. Voor het CDA blijven volksgezondheid en onderwijs basisvoorwaarden voor verdere ontwikkeling van een land.

    SP

    Volgens  Ewout Irrgang, Tweede Kamerlid van de SP, is het WRR-rapport terecht kritisch over de manier waarop er in het verleden hulp werd gegeven. De WRR doet naar mening van de SP een interessant pleidooi voor meer professionalisering van de kant van de Nederlandse overheid. Irrgang nuanceert het voorstel van de WRR om de hulp te beperken tot tien landen in plaats van de huidige 36 landen. In veel van die landen, zoals bijvoorbeeld Indonesië en Zuid-Afrika, is nog steeds veel armoede. Maar dit zijn juist landen die er goed in slagen zichzelf te redden. Dus ondersteunt hij het pleidooi van de WRR om de hulp in de allerarmste landen te concentreren omdat hulp daar het meest nodig is.

    D66

    D66 is het met het WRR-rapport eens dat internationale samenwerking breder is dan ontwikkelingshulp alleen. D66 vindt in het rapport goede aanknopingspunten voor het moderniseren van een internationale samenleving. Toch voelt D66 een grote noodzaak om ook in de toekomst solidair te zijn met de kansarmen in de wereld. Zeker nu zij de grootste klappen van kredietcrisis, klimaatcrisis, en energiecrisis zullen moeten verwerken. Zij zien een mondiale stabiele en rechtvaardige samenleving als zeer belangrijk, ook voor Nederland. D66 gebruikt de teleurstelling over resultaten in het verleden niet als een excuus voor een bezuinigingsoperatie, zo is te lezen in het verkiezingsprogramma.

    GroenLinks
    GroenLinks is blij met het WRR-rapport omdat het op gedegen wijze afrekent met de ongefundeerde en vaak gemakzuchtige kritiek op ontwikkelingshulp. Toenmalig GroenLinks Tweede Kamerlid Kees Vendrik reageert: “Met dit rapport is de onzin kritiek van zelfbenoemde critici effectief en onafhankelijk weersproken en komt er gelukkig ruimte voor een serieus debat.” GroenLinks is niet bijzonder enthousiast over het voorstel voor een aparte rijksdienst ‘NLAid’, maar is graag bereid in een open debat alle mogelijkheden voor betere ontwikkelingssamenwerking te bezien.

    ChristenUnie

    Hanneke Post, van ChristenUnie, is sceptisch over het het WRR-rapport. Om zelfredzaamheid mogelijk te maken zal Nederland zich namelijk toch echt blijvend moeten inzetten voor ontwikkelingsamenwerking. Een flinke korting op het budget en een debat met een focus op het nut en de noodzaak van ontwikkelingssamenwerking zal hieraan weinig bijdragen, aldus Post.

    Partij voor de Dieren

    Ook van de Partij voor de Dieren is geen specifiek standpunt omtrent het WRR-rapport bekend. Wel is in het verkiezingsprogramma van de partij te lezen dat zij de 0,8% van het BNP willen handhaven. Ook zijn zij van mening dat de oorzaken van massale immigratie aangepakt moeten worden. Hulp dient daarom meer gericht te zijn op kennisontwikkeling, ontwikkeling van een zelfstandige regionale voedselvoorziening, gezondheidzorg en preventie van oorlogen.

    SGP

    De SGP is het met het WRR-rapport eens dat geld voor hulp naar organisaties moet gaan die ter plaatse vertrouwd zijn. Wat betreft het budget stelt de SGP een meerjarengemiddelde van de 0,8% BNP voor, om hevige fluctuaties in het beschikbare budget te voorkomen. Bovendien kunnen landen waar christenen verhinderd worden in rust en vrede hun geloof te belijden, geen financiële banden met Nederland aangaan. Bij de verstrekking van ontwikkelingshulp moet de positie van vervolgde christenen een expliciete overweging zijn, aldus de SGP.

    Geschreven door: Iris Gardien, Henriette de Wit, Bente Meindertsma

    Auteur
    Vice Versa

    Datum:
    23 november 2010