Gedragscode: ontwikkelingswerker in opspraak

In het WRR-rapport wordt gepleit voor een gedragscode voor met name kleine particuliere hulpinitiatieven. Wat gaat staatssecretaris Ben Knapen met deze aanbeveling doen? Marc Broere gaat deze week verder op deze discussie in. Met vandaag een terugblik op een eerdere discussie over een gedragscode, in dit geval voor ontwikkelingswerkers.

Het is eind 1993. Even na negen uur in de ochtend komt het telefoontje van Onze Wereld-hoofdredacteur Kees Waagmeester. ‘We hebben de voorpagina van De Telegraaf gehaald.’ Ik haast me naar de krantenkiosk. Nog voor ik de krant heb afgerekend, heb ik het stuk al gelezen. ‘Ontwikkelingswerkers misdragen zich’, luidt in vette chocoladeletters de kop boven het artikel. In het intro staat dat ontwikkelingswerkers zich ‘vaak aanstootgevend’ gedragen en dat hun wangedrag het volgens professor Cees Hamelink noodzakelijk maakt om een gedragscode in het leven te roepen. Dat de bron –onzeWereld- ten onrechte wordt beschreven als ‘het blad van ontwikkelingsorganisatie Novib’ en dat de uitspraken van Hamelink uit mijn interview nogal uit z’n verband zijn gerukt, maakt even niets uit. Wat telt is dat het interview door de grootste krant van Nederland is opgepikt en de voorpagina heeft gehaald. En als jonge journalist ben ik daar maar wat trots op.

Bittere noodzaak

Eigenlijk vang ik het nieuws toevallig op in de wandelgangen van een conferentie. Cees Hamelink, hoogleraar Massacommunicatie aan de Universiteit van Amsterdam, is bezig met het opstellen van een gedragscode voor ontwikkelingswerkers. Het onderwerp prikkelt me meteen. Ik bel de hoogleraar op om een afspraak voor een interview te maken. Hij heeft maar een uur de tijd en het worden uiteindelijk slechts een krappe veertig minuten, omdat het openbaar vervoer vertraagd is. Maar ieder woord van het interview is raak en bruikbaar.

Hamelink brandt meteen los met de constatering dat een gedragscode bittere noodzaak is, omdat veel ontwikkelingswerkers aanstootgevend gedrag vertonen. ‘De projectmedewerker mag dan wel een machtige donororganisatie vertegenwoordigen, maar eigenlijk is hij slechts een eenvoudige technicus of verpleger’, legt hij uit. ‘De bescheidenheid die daar bij hoort, vind je in een ontwikkelingsland niet meer terug. Hoe vrijgevochten zo’n ontwikkelingswerker ook is, in Nederland gaat bij een bezoek aan premier Lubbers het nette pak of de rok aan. Dit gedrag verdwijnt opeens wanneer het gaat om mensen van een andere cultuur. Wanneer de minister-president zwart is, kun je kennelijk wel een spijkerbroek met T-shirt of zelfs een korte short aantrekken. Je moet niet verbaasd staan als de minister-president of lokale districtsbestuurder dit zal interpreteren als racisme en dat is het ook.’

Net zoals bij advocaten, artsen en journalisten moet er daarom ook voor ontwikkelingswerkers een gedragscode in werking treden. Het initiatief is afkomstig van de Vereniging voor Cultuur en Ontwikkeling waar Hamelink voorzitter van is. Deze vereniging vraagt om meer aandacht voor de culturele dimensie binnen ontwikkelingssamenwerking. De voorlopige versie van de code was op het moment van ons gesprek klaar en naar ontwikkelingsorganisaties als SNV, Artsen zonder Grenzen, PSO en Memisa gestuurd om hun mening te peilen. Hamelink verwacht dat deze organisaties de code ook daadwerkelijk zullen ondertekenen.

Talloze richtlijnen

In de gedragscode die Hamelink heeft opgesteld staan talloze richtlijnen. Zo mag de ontwikkelingswerker geen contracten aannemen voor activiteiten waarvoor hij niet over benodigde kennis of informatie beschikt, mag hij geen kennis overdragen die in de lokale omstandigheden niet toepasbaar is, moeten de interesses van zijn lokale collega’s –counterparts genoemd- altijd gaan boven die van de individuele ontwikkelingswerker, en moet de ontwikkelingswerker accepteren dat de gastorganisatie waar hij in dienst is het raamwerk van het project bepaalt en niet hij.

Maar de code gaat nog verder: de ontwikkelingswerker is niet alleen aanspreekbaar tijdens het werk, maar ook in z’n vrije tijd. De levensstijl van de ontwikkelingswerker mag de relatie met zijn lokale collega’s niet blokkeren en ook niet aanstootgevend en beledigend zijn in de context van de cultuur. ‘Ook na werktijd gaan de relaties van de ontwikkelingswerker met z’n omgeving door’, verduidelijkt Hamelink. ‘De ontwikkelingswerker heeft relaties met zijn huishoudelijke hulp, tuinman en zijn kok. Als hij ‘s avonds naar het café gaat is er eveneens sprake van relaties en gebruikt hij bovendien de projectauto buiten diensturen. De omgang met de lokale bevolking roept allerlei ingewikkelde situaties op waar geldt dat je gedrag toch ook in je vrije tijd aan bepaalde normen gebonden zou moeten zijn.’

Ik vraag Hamelink wat er gebeurt als er een klacht over een ontwikkelingswerker binnenkomt.  ‘Een ontwikkelingsorganisatie kan bijvoorbeeld zeggen: al onze medewerkers dienen deze code te ondertekenen bij hun arbeidscontract. Houden ze zich er niet aan, dan zijn er binnen het bedrijf mogelijkheden om de klachten te behandelen. Dan wordt hij of zij bijvoorbeeld bij de directie of bij een speciale commissie op het matje geroepen. De andere mogelijkheid is om een Algemene Raad van Toezicht te creëren. Net zoals de Raad voor de Journalistiek houdt dit orgaan eens in de zoveel tijd een zitting waarop klachten kunnen worden behandeld. Die Raad is er ook voor de verdere invulling van de code. Ik kan me voorstellen dat de code eens in de vijf jaar moet worden aangepast door praktijkervaringen.’

Haken en ogen

Ik leg Hamelink voor dat de code volgens mij een aantal haken en ogen heeft. Het risico van imagobeschadiging voor ontwikkelingsorganisaties is groot. Maar vooral kan de code voor futiliteiten worden gebruikt en de ontwikkelingswerkers als het ware vogelvrij verklaren; mensen die geen belang bij het project hebben zullen bij ieder conflict naar de code wijzen of met een klacht dreigen. Op deze manier worden ontwikkelingswerkers chantabel. Hamelink denkt dat het wel mee zal vallen. ‘Zo’n eventuele Raad van Toezicht zal het kaf van het koren moeten scheiden. Het is zeker niet de bedoeling dat zaken als jaloezie of frustraties met behulp van de code uitgevochten gaan worden. Dat is een onterecht gebruik van de code.’

Ook wijs ik Hamelink erop dat er in de code staat dat ontwikkelingswerkers de culturele waarden en tradities van het land waar ze werken moeten respecteren. Hun gedrag mag niet ergerniswekkend zijn volgens de normen en waarden van die betreffende cultuur. Homoseksualiteit bijvoorbeeld wordt in veel Afrikaanse landen als aanstootgevend beschouwd. Zou dit betekenen dat er met de code geen homoseksuele ontwikkelingswerkers meer mogen worden uitgezonden? Volgens de Nederlandse wetgeving zou een ontwikkelingsorganisatie dan weer strafbaar zijn omdat ze discrimineert.

Hamelink erkent dat het een complex probleem is, maar denkt dat de praktijk wel een uitweg zal geven. ‘Het is heel goed mogelijk dat iemand die er in z’n persoonlijk leven homoseksuele voorkeuren op nahoudt, daar heel goed kan functioneren zonder aanstoot te geven, zelfs in een Afrikaans land waar homeseksualiteit een misdrijf is. De grens ligt bij dat woordje aanstootgevend. Je kunt je seksuele geaardheid natuurlijk ook op een dermate agressieve manier demonstreren –vaak doen mensen dat zelfs bewust- dat je een reactie uitlokt. Dat is iets wat in dit geval absoluut niet kan. Ik denk dat ontwikkelingsorganisaties hun werknemers hier ook vantevoren op moeten wijzen. Er zijn nu eenmaal lokale normen en regels waar je mee te maken hebt. Als iemand dan zal zeggen: ja, maar ik wil mijn homoseksualiteit nu eenmaal aan de grote klok hangen en daar heel eerlijk in zijn, kan ik me voorstellen dat je als ontwikkelingsorganisatie zegt: dan maar liever naar een ander land.’

Hamelink voegt er meteen aan toe dat ook hetero’s zich behoedzaam dienen te gedragen. ‘Er zijn landen waar men het uiterst onaangenaam vindt als mannen en vrouwen gearmd op straat lopen, laat staan elkaar omhelzen of zoenen. En neem nou het klassieke verhaal van de jonge mannelijke ontwikkelingswerker die de grootste problemen krijgt met Afrikaanse jongedames die in hem toch de grote suikeroom en de weg naar het grote geld zien. Je zult ze de kost moeten geven die daar misbruik van gemaakt hebben, dat zijn er nogal wat. Ik denk ook dat dit volstrekt niet kan, want daarmee ondermijn je je positie.’

Houvast bij corruptie

Zitten er ook voordelen aan de gedragscode voor ontwikkelingswerkers? Hamelink knikt. ‘De code kan een houvast zijn bij corruptie. Als ontwikkelingswerker word je vaak geconfronteerd met situaties waarin je alleen iets voor elkaar krijgt als je meedoet aan het corrupte spel van de samenleving. De code wijst dit nadrukkelijk af. De ontwikkelingswerker kan in zo’n geval zeggen dat hij zich in zijn arbeidscontract verplicht heeft de regels na te leven. Bovendien kan de ontwikkelingswerker met de code in zijn hand aan de bel trekken als het project niet ten goede komt aan degenen voor wie het bedoeld is, maar de lokale machtsstructuren spekt. Hij kan ook de eigen organisatie in Nederland aanklagen wanneer deze volgens de ontwikkelingswerker mensen uitzendt die vooral op eigen glorie, status of profijt uit zijn. In de huidige situatie loopt de ontwikkelingswerker dan gevaar om ontslagen te worden omdat een dergelijk protest als werkweigering zou kunnen worden uitgelegd. Met de code kan de ontwikkelingswerker naar de Raad van Toezicht stappen om arbitrage te vragen.’

Hamelink zegt aan het einde van het gesprek dat hij hoopt dat de code leidt tot een grondig gesprek over ontwikkelingswerk. ‘Ik vraag me soms af of we wel voldoende toegerust zijn om naar een andere cultuur te gaan met onze culturele bagage, onze vooroordelen, ons gebrekkige inlevingsvermogen en onze economische mach. Daarom sluit ik niet uit dat de toepassing van de gedragscode na enkele jaren tot de conclusie zal leiden dat je maar beter helemaal geen ontwikkelingswerkers meer moet uitsturen. Zullen de mensen daar niet beter af zijn als wij ze gewoon een tijdje met rust laten? Ik hoop dat het gesprek daar weer eens over zal gaan. Zo’n gesprek lijkt me uiterst gewenst.’

Morgen deel twee van dit verhaal. Maar reageren kan natuurlijk nu alvast.

Auteur
Marc Broere

Datum:
24 november 2010
Categorieën: