Nederland-België: wie is kampioen?

Op het voetbalveld delven de Rode Duivels vaak het onderspit tegen de Leeuwen van Oranje, maar hoe vergaat het ons in vergelijking met onze Zuiderburen in de ontwikkelingsarena? Afgelopen woensdag organiseerde koepels van Belgische ngo’s en universiteiten een debat waarin ontwikkelingssamenwerking ven beide landen vergeleken werd. Vanessa Nigten van Partos was een van de degenen die in Brussel de oranje driekleur verdedigde. Vice Versa vroeg haar naar het verloop van de wedstrijd en de tactieken die de landen van elkaar over zouden kunnen nemen.

En Vanessa….vertel eens?

‘De Belgische koepelorganisaties (11.11.11, Coprogram, VLIR-UOS, en VVOB) hadden het initiatief genomen om een bijeenkomst te organiseren waarin de verschillen en gelijkenissen tussen de Nederlandse en Belgische ontwikkelingssamenwerking en de lessen die daaruit te trekken vallen centraal stonden. De dag was opgebouwd uit twee delen.

’s Ochtends was er een debat met drie Belgen en twee Nederlanders gesitueerd rond drie vragen.

De Belgische deelnemers waren Robrecht Renard (RR, Voorzitter IOB, Universiteit Antwerpen), Bogdan Vanden Berghe (BVB, Algemeen secretaris 11.11.11) en Peter Moors (PM, Directeur generaal Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking). De Nederlandse deelnemers waren: Bram van Ojik (BvO, Directeur DSO, Ministerie Buitenlandse Zaken) en Paul Hoebink, (PH CIDIN, Radboud Universiteit Nijmegen).

’s Middags waren er 3 interactieve sessies. Thema’s waren: ‘Coherentie tussen ontwikkelingshulp en andere beleidsdomeinen: geven we of nemen we?’ met Bram van Ojik,  ‘Draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking: wie wordt er beter van?’ met Paul Hoebink en ten derde ‘(Mede)financiering van NGO’s door de overheid: vrijbrief of leiband?’ met mijzelf om de Nederlandse kleuren te verdedigen.

In totaal bleken de ruim honderd aanwezigen van ngo’s , de overheid, universiteiten en consultancies, vrijwel alleen maar Belgisch – misschien ook vanwege het feit dat de dag om 09.15u begon, wat rond 6uur vertrekken uit Nederland betekende?De dag stond hierdoor vooral in het teken van het leren door de Belgen van de Nederlanders. Maar ik heb ook geprobeerd wat lessen voor Nederland mee terug te nemen.

Kun je het verloop van de wedstrijd ’s ochtends schetsen?

Het debat ging meer om een aftasting van elkaars tactieken dan dat de wedstrijd al volop in gang was. De eerste stelling die scheidsrechter Gie Moris, hoofdredacteur van MO*, de arena in slingerde was: ‘Betekent less (middelen/landen/thema’s/ actoren) more?’

Bram van Ojik mocht de aftrap doen en gaf duidelijk aan dat minder zeker niet per se beter hoeft te zijn. Nederlandse bezuinigingen zijn zo ingrijpend dat het niet per se beter is voor de inhoud van het beleid, bestedingsdruk is al helemaal niet meer aan de orde. Verder zou OS in het teken van inhoud en verdeling moeten staan.

Peter Moors, van het Belgische ministerie, wierp zich meteen vol overgave in de strijd door zich lijnrecht tegenover Van Ojik op te stellen; Minder is wel degelijk goed onder bepaalde voorwaarden. België steunt nog meer dan 120 uiteenlopende donoren en ngo’s zijn bovendien te afhankelijk van overheidssteun. Hij vindt het dan ook goed dat het aantal partnerlanden van de Belgische overheid al teruggebracht is van 40 naar 18, het moeten er echter ook weer niet te weinig worden met het oog op risicospreiding. Wel zijn hiertoe in België ook betere afspraken over samenwerking en centrale sturing gewenst, in een context waarin het Westen en ontwikkelingssamenwerking minder relevant worden in de wereld , een inzicht dat dus ook bij de Zuiderburen is doorgedrongen.

Paul Hoebink speelde niet echt goed mee in de wedstrijd, hij hield zich vooral bezig met het afpakken van de bal van zijn landgenoot om hem steeds een andere kant op te spelen. Hij bleek net als zijn tegenspeler Peter Moors wel degelijk een algemene noodzaak tot mindering te voelen.

Gelukkig voor Van Ojik vond hij in Robrecht Renard wel een medespeler. Deze meende dat België zijn partnerlanden zeker niet nog verder moet minderen, omdat brede landenexpertise nodig is voor kruisbestuiving. Renard zag de speelstijl van Nederland samen met de NORDIC+ landen zelfs als voorbeeld met steeds coherentere pakketen van ontvangende landen, sectoren en actoren. En ook Bogdan Vanden Berghe verdedigde niet per se het Belgische doel van zijn DG. België heeft juist meer geld nodig, er zijn ook te weinig partnerlanden en ook ngo’s werken maar in 50 landen in totaal. Zo zit België bijna helemaal niet meer in Azië. Ook gaf hij aan dat coherentie onder donoren niet per definitie goed is vanwege nadelen voor ownership.

Nu samenwerking tussen de nationale teams in het eerste wedstrijddeel vrij anarchistisch bleek, schoot Goris een nieuwe stelling ter structurering het veld op: ‘Hoe kan het OS-orkest (rol- en taakverdeling tussen overheid, ngo’s PI’s etc.) beter samenspelen?’

Paul Hoebink opende met dat Nederland door meer budget- en sector- in plaats van programmasteun verder is in samenspelen dan België. Bovendien hebben we een steeds betere relatie tussen OS en kennisnetwerken en geen gewesten. Wel is er desalniettemin nog steeds veel te veel proliferatie van bovendien te veel uiteenlopende actoren in Nederland. Hij vreesde echter dat het nieuwe Nederlandse kabinet de werking van OS en de noodzakelijke coherentie en professionalisering hiertoe onvoldoende begrijpt.

Zijn tegenspeler Robrecht Renard begon de regels van de derby goed onder de knie te krijgen en zette de aanval in. Hij gaf juist aan dat in België de overheid  al te veel macht heeft. Het zet haar beleid vaak voor andere dan ontwikkelingsdoeleinden in en bovendien kunnen de Zuidelijke burgers de donoren niet controleren. Ngo’s zijn vanwege hun specifieke taak van versterking van de civiele maatschappij onmisbaar.

Als echte compatriot viel Bogdan Vanden Berghe hem bij door aan te vullen dat ngo’s een belangrijke eigen rol in het verwoorden van de Zuidelijke burgerstem hebben en dus onderlinge afstemming niet het belangrijkste is. Peter Moors beaamt dat een mooi kenmerk van het Belgische beleid nabijheid tot het veld en terreinwerking is. Toch is meer focus gewenst, juist in een snel veranderende wereld. Het is bijvoorbeeld goed dat België steeds meer sectorsteun verleent.

Bram van Ojik sluit af door tegen zijn Belgische ambtgenoot in te gaan. Hij betoogt dat de opkomst van nieuwe donoren niet automatisch betekent dat Nederland wel weg kan. We zijn niet altijd actief op dezelfde terreinen en als dat wel zo is zijn we het inhoudelijk vaak niet eens met donoren als VS of China.

Aangezien de spelers zich nog steeds niet allemaal nationaal verenigd hadden, probeert Goris met de laatste stelling ‘Gaat het OS-debat over hulp of coherentie?’ de opponenten echt tegenover elkaar te krijgen. Bogdan Vanden Berghe beargumenteert het nut van hulp én coherentie gezien de enorme actuele mondiale problemen. Hij meent dat debat nodig is over de richting van de coherentie en vreest dat het Nederlandse Regeerakkoord zo coherent is dat de ontwikkelingscomponent uit het oog kan worden verloren.

Bram van Ojik en Paul Hoebink beamen dat. De laatste vult aan dat het debat in Nederland wordt gevoerd vanuit wantrouwen en te veel gaat over effectiviteit in plaats van richting. We kunnen hier nog van België leren, juist ook bij gebrek aan een eigen minister.

Peter Moors ziet in dat nu zijn landgenoot aan de Nederlandse kant van het veld blijkt te staan, hij de bal toch echt de andere richting op moet spelen en betoogt dat budgetvervuiling eigenlijk niet bestaat, als beleid maar op elkaar is afgestemd.

Bram van Ojik is het hier niet mee eens en wijst op bijvoorbeeld de hoge militaire uitgaven in Afghanistan. Ook Robrecht Renard sluit meer aan bij het pleidooi voor coherentie gericht op ontwikkeling en stelt dat zowel Nederland als België hun verlichte eigen belang inmiddels goed hebben ontwikkeld, maar dat verbetering nog wel nodig is. Bogdan Vanden Berghe steunt zijn medespeler hierin, maar vult aan dat solidariteit niet uit het oog verloren mag worden.’

Hoe verging het de spelers ’s middags?

Na de verkenning ’s ochtends bereikte de wedstrijd hier een hoogtepunt. De Belgische arbiters richtten de speelvelden zo in dat Belgen en Nederlanders niet anders konden dan het echt tegen elkaar opnemen. In de sessie waarin beide stelsels van (mede)financiering kritisch onder de loep werden genomen bleek België niet alleen lokhalzend te kijken naar de grote pot geld voor Nederlandse ngo’s. Ook het Belgische publiek was trots op de forse sturing en selectie in de verplichte Nederlandse allianties, waar in België nog te veel focus ligt op subsidie van programma’s van aparte ngo’s. Goed vond men verder de invloed die Nederlandse ngo’s hebben gehad bij de totstandkoming van het stelsel. Als nadeel zag men wel de bureaucratische rompslomp die de samenwerking vergt, maar er was goede hoop op compenserende positieve resultaten op lange termijn. Op dat gebied bleek in beide landen nog wel werk aan de winkel wat betreft ex post leren. Leken Belgische ngo’s ‘s ochtends dus vanwege inhoudelijke richting beter te scoren, qua stelselinrichting won Nederland het zeker.’

Wat hebben de landen nu van elkaar kunnen leren?

‘Al met al bleken de spelers dus meer vriendschappelijk te spelen om te leren van elkaars goede tactieken dan voor de pure winst te gaan. Zo kan Nederland een voorbeeld nemen aan de Belgische achtergrondlobby die als resultaat heeft gehad dat het budget er de afgelopen 4 jaar met 75 miljoen is gestegen en er een eigen minister is gebleven. Het levendige openbare Nederlandse debat dat de Belgen de afgelopen maanden met zoveel bewondering gadesloegen blijkt zelfs de aandacht van echte inrichtingsvragen in Nederland te hebben afgeleid. Nederland bleek op het veld echter wel sterker in de sturing met een wat beter overzicht over het gehele ontwikkelingsorkest en minder versnipperde hulp.

Beide landen hebben echter nog een flinke strijd te leveren op het gebied van focus, samenwerking en coherentie en blijken elkaar daarbij dus goed te kunnen aanvullen.’

Auteur
Marc Broere

Datum:
31 oktober 2010
Categorieën: