Jack van Ham: ‘Ontwikkelingssamenwerking heeft zijn slechtste tijd gehad’

ICCO-directeur Jack van Ham krijgt dinsdag 19 oktober een afscheidssymposium aangeboden. Hij vertrekt bij de organisatie aan het einde van het jaar. Van Ham was als directeur ook een fervent columnist. Hieronder zijn laatste column. ‘Hulp moet samenwerking worden, altruïsme erkenning van rechten voor alle burgers op deze beperkte en eindige aardkloot, charitas het afstaan van wat meer is dan de noodzaak te (over)leven.’

Begin van het einde

Er is een tijd geweest, zo’n vijftig jaar geleden, dat wij in het toen snel ontwikkelende Westen (Amerika en Europa) de wereld niet anders konden indelen dan in rijk en arm, democratisch en dictatoriaal. De onderliggende woorden waren die van “goed en slecht”. Het Westen ontwikkelde een staatsbestel waar de burgers invloed op hadden en vrijheden genoten. Welzijn werd geleidelijk materiële welvaart en de wereld werd verdeeld onder de rijke staten die de “arme landen” net als de eeuwen ervoor, bleven beschouwen als lucratieve wingewesten. De materiële welvaart werd gebouwd op goedkope energie en grondstoffen die eerst uit eigen omgeving en vooral na de jaren zestig ruim voorradig waren in nauwelijks tegenstand biedende of protesterende ontwikkelingslanden.

De uitbundig groeiende welvaart van het Westen is gaan knagen en in toenemende mate werd vanuit christelijk en progressief gedachtegoed bij de politiek aangedrongen op compassie en eerlijker verdeling van welvaart met “arme landen”. Landen, feitelijk vele malen rijker dan Amerikaanse of Europese, maar als gevolg van machtsongelijkheid niet of nauwelijks in staat hun rijkdommen te beheren en te exploiteren. Zonder te beweren dat achter de vormen van hulp en ontwikkeling die zijn ontstaan een groot scenario van slechtheid zou zitten, kan worden gesteld dat ontwikkelingshulp is ontstaan vanuit compassie, eigenbelang en vooral ook superioriteit.

De verstikking

De Westerse concepten van democratie en welvaart zijn meegereisd met een keur aan ambtelijke (de ambassades), kerkelijke (van oudsher aanwezig) en maatschappelijke organisaties. Alle westelijke ontwikkelingswensen werden geïnstitutionaliseerd overgebracht of golden als eis voor hulp. De onvervulde sociaal maatschappelijke Westerse wensen (democratie, sociale voorzieningen en vrouwenrechten) en later duurzaamheid en Fairtrade werden, door ons ontworpen en vooral ook gecontroleerd, in honderdduizenden programma’s uitgerold over “ontwikkelingslanden”.

Vooral ambtelijke organisaties en het Westerse maatschappelijk middenveld voerden het afgelopen zestig jaar de boventoon. Geschoold als zij waren en zijn op alle denkbare terreinen hebben ze de ontwikkelingswereld omarmd en uiteindelijk ook verstikt. Dat wil niet zeggen dat er geen resultaten zijn geboekt. Op het gebied van voeding, scholing, gezondheidszorg, infrastructuur etc. zijn zeker zichtbare en positieve resultaten geboekt, maar te weinig om bevolkingsgroei, toenemende ongelijkheid binnen en tussen landsgrenzen bij te kunnen houden. Ontwikkelingswerk was daarvoor en daarop een onvoldoend antwoord. Er werd en wordt te weinig in geïnvesteerd. Met mondiaal 20% van de wereldbevolking  die onder twee dollar per dag verdient, bereik je geen wereldschokkende of verbeterende resultaten. Vergelijk bijvoorbeeld de $ 120 miljard die jaarlijks wereldwijd wordt uitgetrokken voor ontwikkelingssamenwerking met de $ 1.100 miljard die in dezelfde periode wordt uitgetrokken voor militaire doeleinden.

Intussen ging een belangrijk deel van het internationale bedrijfsleven zijn bijna goddelijke gang. Nauwelijks gecontroleerd is het door blijven gaan de internationale economie te blijven baseren op goedkope energie en spotgoedkope grondstoffen. Niet zelden onder zeer erbarmelijke omstandigheden gedolven. Voorts goedkope arbeid en flitskapitaal, waardoor niet of nauwelijks belasting werd afgedragen in ontwikkelingslanden en wat wat wel werd betaald en gekocht veelal is verdwenen en blijft verdwijnen in de zakken van een kleine groep elites.

De geschiedenis herhaalt zich

De tijd van hegemonie van het Westen (Amerika en Europa) is geleidelijk geërodeerd. De afgelopen twintig jaar vooral heeft zich een aantal landen bij de wereldwijde landenelite gevoegd. Brazilië, Rusland, India en China (BRIC) zijn in hoog tempo de economische supermachten van de wereld aan het worden, als ze het al niet zijn. Van ver komend en de status van ontwikkelingsland lang gedragen, was er wellicht enige hoop dat economische verhoudingen tussen landen en de armoede binnen landen in een rap tempo verandering zou komen. Niets lijkt minder waar. Grote economieën als India en China zijn mondiale spelers van formaat, maar zien nauwelijks kans binnen de grenzen sociale veranderingen te stimuleren die tot een zekere vorm van eerlijke verdeling leiden.

Superrijke elites ontwikkelen zich zoals in het Westen. Het verschil is dat er hier (nog?) een zekere en minimumstandaard wordt gehandhaafd die voor iedereen een redelijk leven mogelijk maakt. Ook de “opkomende” economieën, en dat hebben zij in rap tempo van de oude economische machten overgenomen, baseren zich op goedkope arbeid, goedkope grondstoffen en goedkope energie. Daar stropen ze de wereld op af zonder de sociale en bestuurlijke standaarden en voorwaarden die inmiddels door Westerse landen worden gesteld. Dat alles maakt dat de verhouding armrijk is gemondialiseerd (niet meer tussen staten maar tussen mensen in alle landen), het volume van beschikbare maar eindige grondstoffen in een bijzonder hoog tempo afneemt, hetzelfde gebeurt met energiebronnen, leefruimte en milieu. Kortom, de geschiedenis herhaalt zich, maar dan in een razend hoger tempo.

De toekomst?

Is er hoop? Zullen we ooit arriveren op een niveau waarbij mondiale ontwikkeling er een wordt van redelijke verdeling van beschikbare bronnen, duurzaamheid en faire handel. Kunnen we het opbrengen de internationale schande van armoede en gebrek werkelijk terug te dringen? Kunnen we af van ongebreidelde consumptie van kleine elites? Zullen we ooit het “toevoegen” belangrijker gaan vinden dan het ” onttrekken”?

Wat zeker is, is dat we onze arrogante trekjes van het verleden een beetje aan het verliezen zijn. De internationale economische crisis, de milieu- en klimaatcrisis, de financiële crisis, de voedselcrisis, de demografische crisis, de religieuze crisis, etc.  zijn inmiddels zo massief en massaal geworden dat we beseffen dat de wereld in brand staat en dat de regionale korpsen te kort schieten om deze branden te blussen. Het goede ervan is dat we dit stap voor stap beseffen. We beseffen dat de wereld een geheel is, we in toenemende mate van elkaar afhankelijk zijn en de wereld geen oneindige bron van exploitatie is die we zonder grenzen kunnen misbruiken en vervuilen.

In een recente documentaire van de VPRO over Kenia was een schokkende confrontatie met de groeiende werkelijkheid. Een werkende maar gelijk straatarme man, redelijk in zijn analyse over rijke en arm gaf een beeld van zijn toekomstige werkelijkheid. “Als het zo doorgaat kan ik op den duur mijn familie niet meer onderhouden, zo weinig verdien ik”. Tegelijk versterken de rijken zich om nog rijker te worden. Het is nu al niet meer bijzonder dat je buurman wordt vermoord door een andere buurman omdat hij niet voldoende meer te eten heeft. Dat zal alleen maar toenemen, want wie kan het mij kwalijk nemen dat ik in leven wil blijven”. Een ongelooflijk toekomstbeeld maar wie de dagelijkse beelden op nieuws en actualiteit tot zich laat doordringen uit Sudan, Mexico, Congo, Oost-Europa of de Palestijnse gebieden, ziet een groeiende onvrede en toenemend geweld. In de afgelopen dertig jaar heb ik veel landen bezocht en ben getuige geweest van een proces dat hier en daar verbetering heeft gebracht voor de onderkant van de wereldsamenleving. De groei van samenwerking, duurzaamheid, armoedebestrijding, faire handel is hoopgevend, maar kan het tempo van toenemende crises – onttrekken van grondstoffen, milieu- en landbouwgrond, degeneratie en ongelijkheid – niet bijbenen.

Mogelijkheden?

“De wereld verandert, dus moet ontwikkelingshulp ook veranderen” schreven o.a. Herman Wijffels en gewaardeerd collega René Grotenhuis recent in Dagblad Trouw. Aan de oplossingsrichtingen die zij aandragen is op zich niets mis. Ook zij zien het einde van de op moraliteit, altruïsme en charitas gebaseerde “hulpgedrag”. De wereld is niet meer simpel in rijk en arm te verdelen, waarbij de grenzen tussen Noord en Zuid lopen. Ook zij geven aan dat de belangrijkste problemen waar de wereld voor staat dwars door landsgrenzen, etnische of tribale grenzen lopen. In toenemende mate is het ook voor de rijke en bevoorrechte elites in deze wereld onmogelijk aan de vaak lelijke realiteit van armoede, klimaat- en financiële crises te ontsnappen.

Hulp moet samenwerking worden, altruïsme erkenning van rechten voor alle burgers op deze beperkte en eindige aardkloot, charitas het afstaan van wat meer is dan de noodzaak te (over)leven.

‘The World has enough to provide everyone’s need, not for everyone’s greed’, zei Ghandi lang geleden. Herman Wijffels maakte het recent nog wat sterker, ‘het gaat vandaag niet meer over het recht van de sterkste, maar om het gezamenlijk overleven’.

Hulp in de “traditionele “vorm zal in noodsituaties niet veranderen en blijft ook hard nodig, rampen zijn nu eenmaal nauwelijks voorspelbaar, zeker niet in vorm en omvang. Armoede, klimaat, milieu, voedsel, gezondheid, veiligheid, werk en goed bestuur zijn voorzienbare en op te lossen problemen.

Daarvoor is het nodig:

  • Eigenbelang voor gemeenschappelijk eigenbelang te wisselen en ernaar te handelen.
  • Tijd te nemen en risicovol te investeren, 0,7% dient niet de norm te zijn, maar de werkelijke de kosten die nodig zijn om problemen adequaat aan te pakken.
  • Samenwerking tussen bedrijven, overheden, universiteiten en ngo’s is nodig om problemen integraal aan te pakken.
  • Ontwikkelingssamenwerking moet verbreed worden naar internationale samenwerking en op nationaal niveau moeten de budgetten daarvoor samen worden gebracht.
  • Bewaar en herstel wat in de “traditionele” ontwikkelingssamenwerking goed en effectief bleek, zoals microkrediet, sociaal entrepreneurschip en noodhulp.
  • Geef de landen en organisaties waarmee wij samenwerken vanaf stap 1 invloed op het Nederlandse beleid, kom gezamenlijk tot resultaatafspraken, geen eenzijdige opdrachten en ingewikkelde resultaatafspraken. Weg van het donorgedrag.
  • Een Raad voor Ontwikkeling en bestrijding van misbruik en fraude dient een internationaal karakter te krijgen waar Noord en Zuid, Oost en West paritair in participeren.
  • Tot slot, maatschappelijke organisaties zullen weer scherper moeten politiseren. Zij moeten weer een herkenbare tegenkracht worden als gemaakte afspraken niet worden nagekomen.

De duurzame en faire weg is de weg voorwaarts. Investering hierin is geen kostenpost maar een investering voor overleving. De weg voorwaarts is niet gereserveerd voor de sterkste, de meest intelligente, maar voor degene die zich het best aan de nieuwe realiteiten weet aan te passen.

Jack van Ham

Auteur
Vice Versa

Datum:
13 oktober 2010